Magistraal sip

Ryan Babel kon zich uitsloven zoveel hij wilde. Niemand had vreemd op gekeken als hij salto’s had gemaakt, zoals vroeger bij Ajax. Zijn ploegmaten van FC Liverpool waren daar in Lyon met het grootste plezier zijn schoenen komen poetsen: na 85 minuten zwoegen eindelijk een doelpunt. Maar dan had Babel moeten gaan zitten, kom maar jongens, poetsen maar. En dat deed hij niet. Hij deed eigenlijk niets. Hij vervolgde zijn weg als een jogger.

Het niet juichen van Babel zette je aan het denken. Als de meest eenvoudige binnentikker al reden is voor extase, waarom dan een soloactie waarbij je van links naar binnen bent getrokken, twee verdedigers hebt ontweken en de bal vanaf twintig meter in de kruising hebt gejaagd laten volgen door niets? Misschien was hij boos omdat zijn trainer hem ook deze avond geen basisplaats had gegund. Mogelijk was invaller Babel chagrijnig over enkele ballen die hij slecht had behandeld. Of, dat kan ook nog: het besef dat hij zijn team in zware tijden uitzicht had geboden op de volgende fase in de Champions League was hem te veel geworden.

Hij leek wel Thierry Henry. In hun boek Het grote juichen zoeken Henk-Jan Grotenhuis en Tim Duyff de oorzaak van zulke onderkoelde reacties in onvrede. De doelpuntenmaker heeft zo de pest in dat hij de anderen zijn blijdschap niet gunt. Zou kunnen. Ik denk eerder aan het begrip cool. In een seizoen vol tegenslagen je club uit de narigheid helpen met een op eigen houtje gemaakte goal en dan zeggen: rustig maar. Iedereen onder de indruk van je wereldtreffer, maar jij niet. Je had niet anders verwacht. Babel snapte dondersgoed de verlossende uitwerking die zijn daad kon hebben op zijn geplaagde makkers. Daarom liet hij alles achterwege.

Nou ja, alles. De wetenschap dat je als doelpuntenmaker de wereld over gaat, verandert ‘niets’ altijd in ‘iets’. Joggend keek Babel opzij naar het doel van Olympique en keek een beetje sip. Wat, gezien de hemelse glorie van het voorafgaande, vanzelf iets magistraals kreeg. Dan: gebaar met de hand alsof hij iets van zijn schouder veegde. Waarom?

Dat is het fascinerende van niet juichen: je gaat gissen. Bij alle buikschuivers waar je tegenwoordig op wordt vergast, alle hekkenklimmers en boogschutters, shirtjesophalers, danspasjesmakers, vingeropstekers, vliegeniers en cornervlagzwaaiers gis je niet zoveel. Je denkt: die is blij. Onderkoeld juichen is veel mooier. En dan magistraal sip kijken. Inderdaad, Ryan Babel moet vaker in de basis. Al was het maar om hem vaker niet te zien juichen. De gelijkmaker van Olympique in de laatste minuut, die Liverpool alsnog in rouw dompelde, ben ik alweer vergeten. Maar Babels niet juichen zie ik zo nog voor me.