Lichter werk na 30 jaar, kan dat?

De verhoging van de AOW-leeftijd gaat gepaard met een regeling voor werknemers met zware beroepen.

Maar die werkt volgens de sociale partners alleen op papier.

Nederlanders gaan langer doorwerken en dat dan ook nog in een betere conditie, als het aan het kabinet ligt. Mensen hoeven niet „met de tong op de schoenen” de eindstreep van 67 jaar te halen, aldus staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA). Maar hoe ziet die laatste etappe eruit voor een werknemer die dertig jaar zwaar werk heeft verricht – en die volgens het kabinet daarna lichter werk aangeboden moet krijgen?

Het kabinet heeft besloten de pensioenleeftijd over ruim tien jaar in twee stappen te verhogen, naar 67 jaar in 2025. En ook dan kunnen mensen die 42 jaar hebben gewerkt nog steeds met 65 jaar stoppen, al is het tegen een lagere uitkering. Dat is allemaal duidelijk.

Maar over de toegezegde regeling voor werknemers met een zwaar beroep: lichter werk na dertig jaar, heerst veel verwarring.

Zeker is dat de toegezegde regeling bij de sociale partners in het verkeerde keelgat is geschoten. „Onuitvoerbaar”, luidde meteen de reactie van Bernard Wientjes, voorzitter van de grootste werkgeversvereniging VNO-NCW. „Wij kunnen hier niet aan meewerken”, zegt Leo Hartveld, FNV-bestuurslid. Het bevalt de grootste vakcentrale niet dat het kabinet het onderwerp zware beroepen naar de sociale partners heeft doorverwezen: werkgevers en werknemers worden geacht er samen uit te komen.

Op papier lijkt het simpel. „Werknemers die zogenaamde zware beroepen vervullen, zullen in de toekomst tegen de tijd dat zij dertig jaar dit beroep vervullen een aanbod moeten krijgen van minder belastend werk”, schrijft minister Donner (Sociale Zaken, CDA) in zijn AOW-voorstel. Krijgen werknemers dat aanbod niet, dan zullen werkgevers „financieel moeten faciliteren” dat werknemers met een zwaar beroep alsnog de kans krijgen om op hun 65ste te stoppen met werken.

Ook over wat die zware beroepen zijn, staat een passage in het AOWvoorstel. Zware beroepen zijn werkzaamheden die werknemers niet langer dan dertig jaar kunnen vervullen „zonder uitzonderlijke slijtage”. Welke beroepen dat precies zijn, moeten volgens de minister de sociale partners aangeven.

„Het is ondoenlijk die beroepen te definiëren”, zegt FNV’er Hartveld. Het gaat volgens hem niet alleen om fysiek zwaar werk, maar ook om psychisch belastend werk. Werknemers met bepaalde beroepen in de zorg, politieagenten en onderwijzers beoefenen ook zwaar werk, vinden de vakbonden.

Werkgevers menen daarentegen dat een definitie van zwaar werk „alleen heel beperkt” kan zijn. In Duitsland vallen alleen mijnwerkers en staalarbeiders onder de definitie, weet VNO-NCW-voorzitter Wientjes. De rest niet.

Aangezien Nederland wel staalarbeiders heeft, maar geen mijnwerkers meer, kijkt de werkgeversorganisatie liever naar de groep volledig arbeidsongeschikten zoals de overheid die definieert. Een „onwenselijk en onwerkbaar uitgangspunt”, vindt Hartveld.

Onwerkbaar vinden de werkgevers op hún beurt de sancties die dreigen als een ondernemer een werknemer na dertig jaar zwaar werk geen andere baan kan aanbieden, omdat die er gewoonweg niet is. Cees Oudshoorn, directeur bij VNO-NCW, vraagt zich af of ondernemers dan soms extra geld krijgen, „zodat werknemers toch met 65 jaar kunnen stoppen”.

Vast niet. Dus zullen ondernemers extra terughoudend zijn bij het aannemen van 45-plussers met zware, risicovolle beroepen. Liever praten werkgevers over de invoering van een ‘mobiliteitsbonus’, zodat oudere werknemers eerder overstappen naar ander werk – en de arbeidsmarkt voor ouderen daadwerkelijk in beweging komt.

Kansrijker lijkt dan ook het kabinetsplan om sociale partners te verplichten tot een „duurzaam inzetbaarheidsbeleid” in de vorm van om- en bijscholing en loopbaanbeleid. Maar ook hoe deze verplichting eruit moet zien en wie voor de kosten opdraait, is onduidelijk.

De Raad van State moet binnenkort over het kabinetsvoorstel adviseren. Minister Donner heeft er vertrouwen in. Sociale partners hebben volgens hem nog tien jaar de tijd om het noodzakelijke ‘inzetbaarheidsbeleid’ te ontwikkelen.