Jeugdhulp garandeert geen mooie toekomst

Het is goed als kinderen met een probleem snel hulp krijgen. Maar hulp kan een kind ook buitenspel zetten in de samenleving. Dat stelt de SER in een advies.

Even wat perverse prikkels: als een achttienjarige jongen met ADHD werk zoekt maar telkens na een paar maanden wordt weggestuurd, dan krijgt hij na twee jaar een WIA-uitkering. Die is minder hoog en aan meer voorwaarden verbonden dan een Wajong-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten). Dus kan hij beter geen werk zoeken en meteen een Wajong-uitkering aanvragen. Nog zo’n prikkel: als een jeugdzorginstelling alle kinderen snel behandelt en vlot naar huis stuurt of naar een pleeggezin, komt er wel eens een bed leeg te staan. Ongunstig. De instelling wordt gefinancierd op bezetting en niet op resultaat.

Perverse prikkels zijn een verklaring die de Sociaal-Economische Raad (SER) vandaag geeft voor de explosieve groei van de vraag naar hulp voor kinderen met psychische klachten: jeugdzorg, speciaal onderwijs, AWBZ. De instroom in de Wajong groeit ook – van vooral jongeren met psychische klachten. Als die instroom in het huidige tempo blijft groeien, is het aantal werklozen met een levenslange Wajong-uitkering over elf jaar verdubbeld tot 300.000.

Is er sprake van ‘onnodige medicalisering’? De vraag kwam van het kabinet, eind vorig jaar. Nee, antwoordt de SER in het 150 pagina’s tellende advies van vandaag. „Er zijn wel steeds meer kinderen die zorg krijgen voor een psychisch probleem, maar het is niet zo dat ouders onnodig hulp vragen”, zegt Theo Bovens, voorzitter van de commissie. Tot zijn verbazing ontdekte hij dat er ook niet meer kinderen met een psychische stoornis (ADHD of autisme) worden geboren dan vroeger.

Het is wel zo dat diagnoses van ADHD of autisme eerder en beter worden gesteld. En het leven op school en op de werkvloer is ingewikkelder, waardoor mensen met een lichte stoornis zich moeilijker redden dan vroeger. Bovens: „Er moet worden gepraat en samengewerkt en dat geeft veel prikkels. Nou, daar hoef je bij een autist niet mee aan te komen.” Ook is het zo dat ouders een diagnose nodig hebben voor hun kind om hulp vergoed te krijgen.

Bovendien verwijzen scholen die geen tijd hebben voor ‘lastige’ kinderen sneller naar het speciaal onderwijs, doordat de school zelf door de inspectie steeds strenger wordt afgerekend op Cito- en examenresultaten. Het push-out-effect, noemt de SER dat. Eigenlijk ook een perverse prikkel. „Hulp en aandacht kunnen averechts werken”, zegt Bovens. „Als je meteen het etiket PDD-NOS of ADHD op een kind plakt en er allerlei aandacht aan besteedt, dan kan het kind uit het gewone circuit worden gedrukt. Het zorgcircuit is niet ingesteld om je voor te bereiden op de arbeidsmarkt.” Het onderwijs voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, bijvoorbeeld, geeft niet eens diploma’s.

Nu adviseert de SER dat leraren en andere beroepskrachten psychische problemen nog eerder opsporen. Worden zo niet nog meer kinderen slachtoffer van het push-out-effect? Bovens: „Dat willen we niet. Soms is het zelfs beter om probleemgedrag tijdelijk te negeren omdat het vanzelf over kan gaan. Maar we geloven toch dat veel ontsporingen later – spijbelen, delinquent gedrag, zelfs dakloos worden – voorkomen hadden kunnen worden, als het kind op een lagere leeftijd was geholpen.”

Daarnaast beveelt de SER aan dat van de vele instellingen die zich met een kind bemoeien, er één financieel wordt afgerekend op het eindresultaat: „dat de jongere een half jaar stabiel functioneert in de samenleving. Het liefst met werk.” Niemand is daar nu voor verantwoordelijk. Een hulpverlener kan zeggen: ík heb mijn werk gedaan, ook al belandt dat kind op straat.

Ook zou elk kind één professional moeten krijgen die hem begeleidt tot hij weer functioneert en zelfs werk heeft. Hij zou die zelf mogen uitkiezen, op grond van een vertrouwensband. Bovens: „Dat kan een leraar zijn maar ook een sportcoach. Die moet daar ook voor gecompenseerd worden.”

En de werkgevers? Zij zijn al bezig aangepaste plekken te creëren voor Wajongers, zegt de SER. Die plekken staan nu in eenvijfde van de cao’s. „Dit is een verhaal voor de lange termijn, vandaar dat werkgevers er niet anders naar kijken door de crisis. Op termijn heeft de arbeidsmarkt al die jongeren nodig.”