Jaag, vis en hang de criticus uit

Lees het werk van Karl Marx filosofisch in plaats van politiek en zie hoeveel hij ons 150 jaar later nog te vertellen heeft. Hoed u voor de religie!

De val van de Muur maakte een eind aan het marxisme als rechtvaardiging van de communistische dictatuur in Europa. Van de ene dag op de andere raakte het denken van Karl Marx (1818-1883) zijn ‘officiële’ karakter kwijt. Maar als we afzien van het machtsverlies, heeft het marxisme ook van die val geprofiteerd. Opeens werd het mogelijk Marx niet meer te lezen als de evangelist van de vijand, maar als een invloedrijk denker uit de 19de eeuw met bepaalde profetische gaven. In het Communistisch Manifest uit 1848 vinden we bijvoorbeeld een treffende beschrijving van de globalisering, de wereldwijde verbreiding van markt en kapitaal, die na het wegvallen van de communistische tegenstander in een stroomversnelling kwam. En wie zich ergert aan het feit dat we tegenwoordig weer serieus rekening moeten houden met de godsdienst als politieke factor, kan troost zoeken bij Marx, door wie alle godsdienst werd afgeserveerd als ‘opium van het volk’.

Dat de godsdienst, nota bene als gevolg van de globalisering, opnieuw zo belangrijk zou worden, had Marx overigens niet voorzien. De opmars van het kapitalisme zou volgens hem alles wat traditioneel of heilig was vernietigen. Maar als kenner van Hegels filosofie wist hij ook dat de geschiedenis vol ironie zit. Hegel sprak over de ‘list van de Rede’: niet wat mensen bedoelen bepaalt de gang van de geschiedenis, maar de manier waarop de Wereldgeest van hun daden gebruik maakt.

Bij Marx heeft de individuele mens al even weinig te vertellen, maar bij hem is het niet de Wereldgeest die aan de touwtjes trekt. Hegels filosofie stond op zijn kop, luidt een van zijn bekendste stellingen, hij had haar weer met beide voeten op de grond geplaatst. Om de wereld en de geschiedenis te begrijpen dient men niet uit te gaan van de geest, maar van de concrete materiële condities van het leven. ‘De mens is wat hij eet’, schreef de Duitse filosoof Ludwig Feuerbach (1804-1872). Marx was het daar niet per se mee oneens, maar Feuerbach had het toch nog niet helemaal begrepen.

In nog sterkere mate gold dat voor de andere zogenaamde jong-Hegelianen, die het denken van de meester vanuit een radicaal standpunt kritiseerden. In Die deutsche Ideologie (in 1845-’46 samen met vriend Friedrich Engels geschreven, maar nooit voltooid) krijgen ze er ongenadig van langs. Bruno Bauer, Max Stirner, Karl Grün – als ‘heiligen’ worden ze te kijk gezet. Ze hadden Hegel aangevallen op diens opvattingen over de godsdienst, maar ze gingen er blijkbaar nog altijd van uit dat ‘ideeën’ de wereld regeren. En dus was het regime van de religie nooit echt opgehouden.

In het eerste hoofdstuk van Die deutsche Ideologie, gewijd aan Feuerbach (een ‘ketter’ te midden van de ‘heiligen’, maar met zijn nadruk op de abstracte ‘mensheid’ toch nog veel te idealistisch), legt Marx het min of meer systematisch uit. Het hoofdstuk is een van de zeldzame uiteenzettingen die Marx heeft gegeven van zijn geschiedfilosofie, later door Engels het ‘historisch materialisme’ gedoopt. We krijgen te horen dat het wezen van de mens niet in zijn denken zit maar in het gegeven dat hij, anders dan de dieren, zijn bestaansmiddelen zelf produceert. De mens is dus niet zozeer wat hij eet – wie hij is wordt bepaald door de manier waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet.

Met dit uitgangspunt reconstrueert Marx de geschiedenis, van de vroegste tijden tot het moderne, industriële heden. Als gevolg van de arbeidsdeling ontstaat een ongelijkheid, die in het principe van de eigendom zijn beslag krijgt. Vanaf dat moment zijn er bezitters en bezitlozen, en alleen de eersten beheersen de maatschappij.

Maar dat niet alleen: de ideeën van de heersende klasse worden ook de heersende ideeën van die maatschappij. Dus wie de ideeën van een maatschappij wil veranderen, zal hun economische en maatschappelijke basis moeten aanpakken. De enige oplossing voor de bestaande ongelijkheid is daarom het communisme, betoogt Marx, want dat maakt een eind aan zowel het privé-eigendom als aan de verstarde arbeidsdeling. In zo’n klasseloze communistische samenleving zijn de productiemiddelen in handen van de gemeenschap en kan het individu doen waar hij zin in heeft: ’s ochtends jagen, ’s middags vissen, ’s avonds veeteelt bedrijven en na het eten de criticus uithangen, ‘zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden’.

Het communisme is geen ‘ideaal’ waarnaar de werkelijkheid zich zou moeten richten, het is het einddoel waar de wereldgeschiedenis, met dank aan het geglobaliseerde kapitalisme, onverbiddelijk op afstevent, al moet er nog wel een ‘revolutie’ uitbreken om het communisme daadwerkelijk te vestigen. Daarna zouden alle problemen opgelost zijn, ook de filosofische. De sociale en economische werkelijkheid bepaalt immers het denken, en als het eerste op orde is kan het laatste niet achterblijven.

Vanwege dit beroep op de werkelijkheid vond Marx zijn eigen filosofie, als enige, een echte ‘wetenschap’ en geen ‘ideologie’. Dat is achteraf een loze pretentie gebleken. De werkelijkheid heeft het communisme in zijn hoedanigheid van universele remedie laten vallen als een baksteen. Maar als kritiek op het kapitalisme (dat er na 1989 ook niet is geslaagd de wereld in een paradijs te veranderen) kan het marxisme misschien enkele nuttige diensten verlenen. Men moet dan alleen wel tegen Marx’ polemische stijl kunnen, die bijna leest als een literaire aankondiging van de vele slachtoffers van het communisme.

In een boek als Die deutsche Ideologie spat de minachting voor de tegenstanders van de pagina’s. Ze worden niet alleen afgeschilderd als achterlijke ‘heiligen’, maar ook als ‘filosofische industriëlen’ die de erfenis van Hegel (‘het verrottingsproces van de absolute geest’) in almaar inferieure versies op de ‘markt’ hebben gekieperd. En welk lot de wereldgeschiedenis voor industriëlen in petto had, daarover kan niemand zich na lezing van het hele boek nog enige illusie maken

‘De Duitse ideologie: deel 1. Feuerbach en andere programmatische teksten van het marxisme’ verschijnt begin 2010 bij Vantilt in een vertaling van Hugues C. Boekraad en Henk Hoeks