In memoriam een wereldbeeld

Er is onvoorstelbaar veel onzin gedebiteerd over Francis Fukuyama’s hitboek The End of History and the Last Man uit 1992. Maar hoe stellig was de schrijver, en had hij uiteindelijk gelijk?

In het voorjaar van 1989 liep ik hem toevallig tegen het lijf op een van die lange, serene gangen van het State Department in Washington. Het was eigenlijk helemaal de verkeerde plek – voor hem en voor mij. In het voorjaar van 1989 hoorde je in Midden-Europa te zijn, niet in Amerika. En Francis Fukuyama was sous-chef van de interne denkafdeling van het ministerie – te veel een keurslijf in een tijd van opgewonden Europeanen en spontane denkbeelden. Hij leek zo’n slimme jonge Aziaat – 37 jaar oud. Maar dat was een misverstand, hij was geboren en getogen Amerikaan, alleen zijn voorouders waren Japans, vandaar de naam. Slim was hij wél.

We maakten een afspraak en hij schoof me de drukproef toe van een artikel, te verschijnen in het conservatieve kwartaalblad National Interest, een bijgewerkte voordracht was het eigenlijk. Het was een merkwaardig, kamergeleerd stuk, gegeven de meeslepende gebeurtenissen van dat jaar. Hier probeerde iemand alomvattend, definitief en radicaal een politieke filosofie te lanceren waarmee alle opwinding van de dag zijn baanbrekende, intellectuele plek kreeg. Zij – de communisten – hadden niet zomaar verloren, wij – de westerlingen – hadden niet zomaar gewonnen. Nee, de geschiedenis trok hier een streep, krachtiger en radicaler dan ooit tevoren: het einde van de geschiedenis.

Er is onvoorstelbaar veel onzin gedebiteerd over The End of History. Bij elk conflict dat zich in de jaren negentig voordeed, begonnen politici graag badinerend met het zinnetje dat ‘Fukuyama ongelijk heeft en er helemaal geen einde aan de geschiedenis is gekomen.’ Alsof hij dat ooit had beweerd. Sterker nog, Fukuyama had hele series oorlogen en conflicten voorspeld. Maar, ach, de zaal gaf de politicus altijd gelijk: Hoezo End of History? Morgen ging de wekker toch gewoon weer af en lagen er wereldwijde problemen op de mat.

Wat had Fukuyama beweerd?

Het einde van de geschiedenis had een filosofische, niet een feitelijke betekenis. Nu de grote marxistische ideologie van het toneel was verdwenen, was er geen teleologisch politiek-filosofisch dispuut meer over het doel van de universele ontwikkelingsgang van de wereld. Een liberale democratie en een economisch systeem van kapitalistisch ondernemerschap waren vanaf nu voor iedereen de feitelijke dan wel de nastrevenswaardige maatschappelijke ordening. Daar moesten we het voortaan mee doen. Mensen konden elkaar de kop nog gerust inslaan over de maatvoering der dingen, maar aan grote utopieën had de geschiedenis een einde gemaakt. Etnische conflicten, religieuze botsingen, jaloezie, machtshonger – het zou allemaal blijven. Maar ideologische constructies om een paradijs op aarde te verwezenlijken hoorden tot het verleden. Deze muur was gevallen.

Fukuyama had natuurlijk die titel nooit moeten kiezen, want de meeste mensen lezen zo’n artikel niet en slaan op tilt bij de pretentie ervan. Terwijl het in de tekst zelf de uitkomst van een geleerd vertoog was en bovendien niet eens van Fukuyama zelf. Maar ja, het werkte wel en Owen Harries, de uitgever van National Interest, twijfelde dan ook geen seconde over de titel. Zo werd een hit geboren.

Had Fukuyama gelijk? Ja en nee. En dat vond hij zelf eigenlijk ook. Hij was een man van het neoconservatieve kamp in Amerika en er zat een pretentieuze onderstroom van triomfalisme in de these. Al twee jaar later, toen het artikel een boek was geworden, merkte je zijn eerste aarzelingen. Dat boek heette The End of History and The Last Man. Hoezo die ‘laatste mens’? Het kapitalisme had overal gezegevierd maar wat moest de mens nu doen? Rijker worden, meer geld verdienen, de rivalen uit de markt drukken? De morele ondergrond van het kapitalisme is dun, niet alleen wanneer het faalt maar misschien meer nog wanneer het succes heeft. Daar zat Fukuyama mee.

Voorlopig hield Fukuyama koers, maar er dienden zich een paar boeiende worstelingen aan. Zelf schreef hij een boek over vertrouwen. Daarin werkte hij de stelling uit dat samenlevingen uit elkaar vallen als ze het alleen van liberale democratie en kapitalisme moeten hebben. Vertrouwen is een onmetelijk want sociaal kapitaal, niet uit te drukken in statistieken van arbeidsproductiviteit en koopkracht, maar cruciaal voor een toekomstbestendige samenleving. In Vertrouwen maakte Fukuyama uitstapjes naar andere werelddelen en hij kwam tot de conclusie dat zijn eigen land misschien wel erg zwaar leunt op advocaten en contracten en erg weinig vanzelfsprekendheden van onderling vertrouwen kent.

Dan gebeurde er nog iets – zoals zo vaak geheel onttrokken aan het oog van de westerse wereldburgers. Fukuyama ging in Azië op de grill. Hoezo waren liberale democratie plus kapitalisme de eindwaarden van de wereld? ‘Verwend en decadent’, zei de Singaporese sterke man Lee Kwan Yu als hij over het Westen sprak. Hij sprak dan namens half Azië en zeker namens China dat zo kort na de studentendemonstraties op het Tiananmen Plein – dat was ook het jaar van de Muur – zelf nog een lagere toonsoort in het grote debat prefereerde.

Lee Kwan Yu en vele Aziatische intellectuelen hadden het over asian values – over Confucius, over familietrouw, spaarzaamheid, verinnerlijkte religie, respect voor gezag. Kortom, over samenlevingen van harmonie en orde. De Singaporese intellectueel Kishore Mahbubani herinnert zich uit die jaren verhitte debatten in Azië met Fukuyama, waarbij Fukuyama in zekere zin door de gong werd gered. Want in 1997-1998 stortte Azië in een diepe financiële crisis. Het Internationaal Monetaire Fonds – het Westen dus – moest te hulp schieten en deed dat met toen gangbare Westerse criteria en normen. Minachting voor het Westen maakte in Azië even plaats voor frustratie en woede en daarna voor bescheidenheid. Fukuyama in 1998: ‘Door de crisis leren ze in Azië dat er geen Aziatisch exceptionalisme is.’

We zijn weer een decennium verder. Nu is het de beurt aan het Westen om een toontje lager te zingen. Azië verkneukelt zich weliswaar niet in triomfgevoelens maar zoekt toch weer een stuk zelfbewuster naar maatschappijvormen die iets anders te bieden hebben dan alleen het duo democratie-en-kapitalisme. Fukuyama zelf heeft zich gedesillusioneerd van het neo-conservatisme afgewend en stemde de laatste keer op Obama. Hij doceert aan Johns Hopkins University en schrijft vooral over vraagstukken van wereldbestuur. Want het Westen had dan in 1989 wel gewonnen, maar, zo ontdekt hij meer en meer, die overwinning laat zich alleen verzilveren wanneer het Westen het Westen niet meer is en zich voegt naar een nieuwe, andere Wereldorde.

Ziehier de verzuchting die The End of History twee decennia later mag opleveren: De Val van de Muur loopt voor het Westen toch nog aardig uit de hand.