'Ik heb niet gecapituleerd'

Oost-Duitse schrijvers vluchtten doorgaans niet voor het regime. Een uitzondering was Klaus Kordon, die zijn vluchtpoging duur betaalde.

De wijk Adlershof in Berlijn. Een rustige straat in het zuidoosten van de stad. Vroeger was dit Oost-Berlijn, vroeger heette het hier Volkswohlstrasse. Nu draagt de straat de naam van Anna Seghers, de schrijfster met wie het communistische bewind van de Deutsche Demokratische Republik zo graag pronkte.

Anna Seghers, in 1900 als Netty Reiling geboren, woonde vanaf midden jaren vijftig tot haar dood in 1983 in de Volkswohlstrasse 81. In haar woonhuis is tegenwoordig een bescheiden maar interessant museum gevestigd. Het brengt het leven en werk onder de aandacht van de auteur van Das siebte Kreuz, een adembenemende roman over de nazidictatuur. Het is het boek waarmee Anna Seghers wereldberoemd is geworden.

Seghers was overtuigd communist. Voor de oorlog moest ze, vervolgd door de nazi’s, naar het buitenland vluchten. Toen ze in 1947 naar Duitsland terugkeerde, ging ze vanzelfsprekend naar de kameraden in het oosten. Later werd haar werk door het DDR-regime als ‘sociaal-realistisch’ aangeprezen. In West-Duitsland werd ze aanvankelijk doodgezwegen; voor scholieren in de arbeiders- en boerenstaat was Das siebte Kreuz daarentegen verplichte lectuur. Het ontbrak in geen Oost-Duitse boekenkast. Seghers was lang voorzitter van de vereniging van schrijvers in de DDR en kende machthebbers als partijchef Walter Ulbricht persoonlijk.

Ze was hun favoriet – en ze zweeg toen het erop aan kwam. Toen dissidente collega’s in aanvaring kwamen met het bewind, en van haar als gezaghebbend auteur een standpunt werd verwacht, keek Anna Seghers weg en hield haar mond. ‘Tegen beter weten in’, luidde het oordeel van intimi van de schrijfster. Ze kende de misstanden. Een poging om achter de schermen Walter Ulbricht te bewerken, liep op niets uit. Seghers, strijdster tegen de nazidictatuur, heulde in de ogen van haar critici met de communistische dictators.

Schrijvers in de DDR waren kwetsbaar, zoals alle kunstenaars in de totalitaire Duitse staat. Ze moesten zich op de een of andere manier aanpassen aan de eisen die de partijtop stelde, op straffe van stopzetting van publicatie. Met dat dilemma zijn velen van hen indringend geconfronteerd. Tijdens hun schrijverschap in de DDR, maar ook later nog, toen de Muur was gevallen en de begrippen goed en fout betekenis kregen. Dat ondervond Christa Wolf, de Oost-Duitse auteur van een van de mooiste boeken over het gedeelde Berlijn, Der geteilte Himmel.

Algemeen wordt erkend dat Wolf (80) een van de grote Duitse schrijvers van de 20ste eeuw is. Toch zit er een vlek op haar blazoen, en geen kleine. Begin jaren negentig, toen inzage in de archieven van de Oost-Duitse geheime dienst mogelijk was, werden steeds meer onthullingen gepubliceerd over wie met het regime had samengewerkt. Voordat anderen erachter zouden komen, maakte Christa Wolf in 1993 in een opzienbarend krantenartikel bekend dat ze van 1959 tot 1962 ‘Inoffizielle Mitarbeiter’ was van het Ministerium für Staatssicherheit, kortweg Stasi. Een ‘IM’ van de Stasi was een spion die medeburgers in de gaten moest houden en over hen rapport moest uitbrengen. Passend in de paranoïde traditie van de DDR werd de schrijfster ook zelf jarenlang door de Stasi bespioneerd.

Wolfs schuilnaam luidde Margarete. Ze kon weliswaar aantonen dat de rapporten die ze over de door haar bespioneerde personen had geschreven louter positieve informatie bevatten, maar de reputatieschade was immens. Christa Wolf viel van haar voetstuk. De nuance in de daarop volgende literatorenstrijd, mede naar aanleiding van haar autobiografische vertelling Was bleibt, ging grotendeels verloren. Het duurde jaren voordat de schrijfster deze aanslag op haar geloofwaardigheid en integriteit te boven was.

Wie in vrijheid wilde schrijven, kon zich maar beter uit het Oost-Duitse staatsburgerschap laten ontzetten, het zogeheten ausbürgern. Dit gebeurde met dichter en zanger Wolf Biermann, die wegens zijn protesten tegen het DDR-regime eind jaren zeventig naar West-Duitsland werd verbannen; een sleutelmoment in de dissidentenbeweging van de DDR.

Vluchten was onder Oost-Duitse schrijvers niet gebruikelijk. Daarvoor waren ze in de regel te verstandig of te bang. Op een enkele uitzondering na – Klaus Kordon. Zijn aangrijpende levensverhaal laat zien wat er kon gebeuren als je in de DDR als (aankomend) schrijver rebelleerde en het lot in eigen hand nam.

Kordon was, toen hij zijn land wilde ontvluchten, nog geen gevestigd auteur, maar hij publiceerde wel en hij had een sterke drang om van schrijven zijn beroep te maken. Hij wist dat wat hij wilde schrijven in de DDR op problemen zou stuiten. En dus nam hij de wijk. Maar zijn vlucht met vrouw en kinderen mislukte. De odyssee die toen volgde heeft Kordon nog maar enkele jaren geleden opgeschreven. „Eerder ging niet, de verwerking kostte tijd”, zegt hij in zijn woning in Steglitz, een buurt in het zuidwesten van Berlijn.

Kordons autobiografische roman Krokodil im Nacken is een verontrustend relaas over lichamelijke en geestelijke kwelling in Bulgaarse en Oost-Duitse gevangenschap, een poging tot heropvoeding, het losgekocht worden door de Bondsrepubliek en grote onzekerheid over het lot van zijn gezin. In zijn boek worden gevangenisscènes afgewisseld met terugblikken op het leven van hoofdpersoon Manfred Lenz, Kordons alter ego.

Klaus Kordon geniet internationale bekendheid als kinderboekenschrijver. Hij schreef onder andere een trilogie over keerpunten in de Duitse geschiedenis van 1918 tot voorjaar 1945, Die Roten Matrosen, Mit dem Rücken zur Wand en Der erste Frühling, bezien vanuit het perspectief van jongeren. Met die boeken heeft hij internationale prijzen gewonnen. Ze zijn vertaald in veel talen, waaronder het Nederlands (uitgeverij Van Holkema & Warendorf). Ook volwassenen lezen ze graag.

Wat hij persoonlijk heeft meegemaakt, heeft geen enkele andere Duitse auteur doorstaan. Kordon is daar nuchter onder. „Ik ben een kind van de Duitse geschiedenis”, zegt hij haast verontschuldigend. Zijn grootvader sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk. Zijn vader werd in de Tweede Wereldoorlog gedood, als soldaat van de Wehrmacht, ergens in de Sovjet-Unie. Hijzelf werd in het oorlogsjaar 1943 geboren, groeide op in het oosten van het verwoeste Berlijn, werd DDR-burger en deed later zijn vergeefse poging de dictatoriale staat te ontvluchten.

Kort samengevat ging dat zo: in de zomer van 1972 gingen Klaus en Jutta Kordon met hun zesjarige zoon Frank en negenjarige dochter Karen op vakantie naar de Zwarte Zee. Via Bulgarije hadden ze een vlucht naar Turkije gepland. Ze hadden West-Duitse paspoorten verworven; alles zou goed moeten gaan. Maar hun plan mislukte doordat de Stasi er lucht van had gekregen. Ze werden aangehouden. Klaus Kordon belandde in een Bulgaarse cel, zijn vrouw en kinderen werden naar Oost-Berlijn gevlogen.

De schrijver keerde na een helletocht ook in Berlijn terug en werd vastgezet in de DDR-gevangenis in Hohenschönhausen, tegenwoordig een afschrikwekkend monument tegen de dictatuur. Toen Kordon daar na de val van de Muur voor het eerst weer kwam, was het met knikkende knieën en een licht gevoel in het hoofd. „Ik werd onpasselijk toen ik het gebouw van buiten zag. Ik kende het alleen van binnen, en dat was al erg genoeg”, zegt hij.

Kordon en zijn vrouw werden wegens ‘republieksvlucht’ veroordeeld tot twee jaar en tien maanden cel. Hun rechtszaak was ‘een farce’. Na een jaar van grote vernedering in gevangenschap werden ze door de Bondsrepubliek vrijgekocht, een van de lang verzwegen geheimen in de Duits-Duitse relatie destijds. De belofte was dat de kinderen snel zouden volgen, maar dat gebeurde niet. Nog een jaar moesten de Kordons op hun zoon en dochter wachten. Die waren inmiddels acht en elf toen ze hun ouders weerzagen.

„Het was een verschrikkelijke tijd”, zegt Kordon. „Het was dramatisch, zowel voor de kinderen als voor ons. Toen we gevangen waren, was de scheiding nog te accepteren. Je wist dat je niets kon doen. Je zat in de cel, de deur was op slot en je hoefde niemand om begrip te vragen. Maar toen we vrij waren, en wij in het Westen zaten en de kinderen in het Oosten, begon de hel pas goed. We konden alleen maar afwachten en hopen.”

Later hoorden ze dat de DDR niet zelden kinderen van ouders die naar het Westen waren uitgewezen, voor adoptie vrijgaf. „Dat wisten we toen gelukkig niet”, zegt Kordon.

Klaus Kordon is er vast van overtuigd dat zijn schrijverschap in de DDR ‘een volslagen mislukking’ zou zijn geworden. „Het was onmogelijk geweest. Dat het toch is gelukt, dat ik mijn jeugddroom in het Westen heb kunnen waarmaken, beschouw ik als een persoonlijke overwinning op het DDR-regime. Ik heb niet gecapituleerd.”

In het Westen wacht de Kordons overigens ‘geen walhalla’. De vrijheid is ‘fantastisch’, maar het leven blijkt er anders dan ze zich hadden voorgesteld. In zijn net verschenen Auf der Sonnenseite, het autobiografische vervolg op Krokodil im Nacken, doet Klaus Kordon daar verslag van. Hij kijkt met gemengde gevoelens terug; de titel is ironisch bedoeld. In 1989 valt de Muur. „De DDR en mijn leven hadden zich gelijktijdig ontwikkeld. En dan opeens is het afgelopen. De grens gaat open. Ik kon het, zoals de meeste mensen, nauwelijks bevatten.”

Klaus Kordon is op 9 november 1989, de dag van de grensopening, op signeersessie in het zuidwesten van Duitsland. In zijn hotelkamer ziet hij ’s avonds de beroemd geworden tv-beelden van Oost-Berlijners die West-Berlijn ingaan. „Pas de volgende dag, toen ik in m’n auto terugreed naar Berlijn, moest ik huilen.”

Het heeft lang geduurd voordat Kordon zijn persoonlijke belevenissen heeft willen opschrijven. „Als ik het eerder had gedaan, was het een afrekening geworden. Ik heb altijd sterk het gevoel gehad dat ik moest wachten. Dat ik mezelf tijd moest gunnen om het te laten bezinken zodat ik er afstandelijker over kon oordelen. Ik wilde een min of meer fair relaas maken; een persoonlijk verslag dat niet zwart-wit moest zijn, maar waarin ruimte zou zijn voor grijstinten.”

Kordon is kort na de val van de Muur naar zijn oude buurt in Berlijn teruggekeerd, Prenzlauer Berg, om er zijn kameraden van destijds op te zoeken. Al snel bleek dat de veertigers en vijftigers van toen de generatie vertegenwoordigden die overal naast greep. „Ze waren te oud om zich aan te passen en te jong om met pensioen te gaan. Al m’n vrienden van destijds zijn werkloos geraakt.”

Kordon had dat voorzien. „Ik wist dat de Bondsrepubliek in het oosten haar eigen belang zou najagen en geen consideratie zou hebben met de industrie van de DDR. Die was niet concurrerend. Er is genadeloos een eind aan gemaakt. Dat de werkloosheid in het Oosten zou stijgen, stond voor mij vast.”

Wat hem twintig jaar na de val van de Muur ergert, is het ‘schijnheilige debat’ dat op dit moment in Duitsland wordt gevoerd over de vraag of de DDR een ‘onrechtsstaat’ was. „Tegenstanders van het regime werden zonder pardon en zonder eerlijk proces opgesloten. Hoe moet je een land noemen dat burgers oppakt die er een andere mening op na houden? Is dat een rechtsstaat? Alleen al de vraag vind ik infaam. Natuurlijk was de DDR een onrechtsstaat.”

Klaus Kordon heeft duur betaald voor zijn wens om in vrijheid te schrijven. Zijn zelfgekozen lot plaatst dat van de schrijvers die in de DDR bleven, en van degenen onder hen die zwegen en wegkeken, in een ander perspectief. Over hen oordeelt hij niet. Hij koos zijn weg; zij de hunne. „Ik zou het zo weer doen”, zegt hij zonder aarzeling. „Als we waren gebleven, was mijn vrouw depressief geworden en ik alcoholist.”