Het ergste waren wij

‘Wij zijn het volk’ scandeerde de DDR-bevolking in 1989. Twintig jaar later lijdt dat volk nog steeds aan een massaal onbehagen. Hoe komt dat?

Monika Maron: Bitterfelder Bogen. Ein Bericht. S. Fischer, 173 blz. €18,95.

Ilko-Sascha Kowalczuk: Endspiel. Die Revolution von 1989 in der DDR. C.H. Beck, 602 blz. €24,90.

Andreas Rödder: Deutschland einig Vaterland. Die Geschichte der Wiedervereinigung. C.H. Beck, 490 blz. € 24,90.

Helmut Altrichter: Russland 1989. Der Untergang des Sowjetimperiums. C.H. Beck, 447 blz. € 26,90.

Rayk Wieland: Ich schlage vor, dass wir uns küssen. Kunstmann, 206 blz. € 16,90

Kan een politieke bevrijding tot een mentale depressie leiden? In Duitsland wel. De val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989, de enige revolutie in de Duitse geschiedenis met een goede afloop, maakte in Oost- Duitsland een einde aan de dagelijkse repressie van de communistische dictatuur. Toch waart twintig jaar later door de voormalige DDR een wijd verspreid onbehagen. Wat is er toch aan de hand met die vrij geworden Oost-Duitsers?

In haar journalistieke reportage Bitterfelder Bogen probeert romanschrijfster Monika Maron, tot 1988 ingezetene van de DDR, een antwoord op die vraag te geven. Ze keert terug naar Bitterfeld, een stadje in de buurt van Leipzig dat in 1981 het decor was van haar roman Flugasche. Vergiftigde lucht en vervuilde grond, veroorzaakt door zware industrie, speelden in dat boek een hoofdrol. Na 1989 werden de chemische bedrijven en kolencentrales van Bitterfeld gesloten. Tienduizend werknemers kregen ontslag.

Nadat de regio rond het stadje was gereinigd, richtten jonge ondernemers een bedrijf op dat zonnecellen produceert, Q-Cell. Het telt nu drieduizend werknemers en staat op de beurs genoteerd. Een groot succes, schrijft Maron, maar toch moet zij vaststellen dat Bitterfeld een verzamelplaats is van antidepressiva slikkende somberaars. De bevolking is niet trots, maar klaagt dat het leidende kader van Q- Cell is geïmporteerd uit het Westen.

Het lijkt wel, schrijft Maron, alsof in de voormalige DDR een nieuw reservoir aan Duitse Weltschmerz is aangeboord. Ze noemt een paar courante verklaringen voor de ontevredenheid. De werkloosheid is in het oosten ook na twintig jaar hoog en de Wessi’s hebben de Ossi’s hard laten voelen dat ze een blok zijn aan het been van de oude Bondsrepubliek.

Maar er is nog een andere verklaring voor de neerslachtigheid. De dwarse troubadour Wolf Biermann, in 1976 uit de DDR verbannen, wierp zich na de Wende op als de onwelkome vertolker van collectieve zelfreflectie toen hij zong: ‘het ergste was niet de rode tirannie, het ergste waren wij, onze lafheid en onze kruiperij’. Daarmee is de vraag gesteld of de massale verongelijktheid ook te herleiden is tot een kwaad geweten. Wat heeft men zelf bijgedragen aan de eigen bevrijding?

Niet veel, zo blijkt uit Endspiel, de uiterst gedegen studie van Ilko-Sascha Kowalczuk, als historicus werkzaam bij de beheerders van het Stasi-archief (het DDR- ministerie van Staatsveiligheid). Van een politieke oppositie, zoals de Solidarnosz-beweging in buurland Polen, was tijdens het laatste DDR-decennium volgens hem geen sprake. Deze auteur heeft elke dissidente stem zorgvuldig onderzocht en gewogen. Het resultaat is een kloek boek met het karakter van een démasqué.

De conclusie van Kowalczuk luidt dat in de jaren tachtig de oppositie slechts bestond uit een paar duizend leden en meelopers, veelal mensen ‘aan de rand van de samenleving’. De leden zochten een thuishaven bij de Evangelische Kerk, die echter in hoge mate gezagsgetrouw was en zwaar geïnfiltreerd werd door de Stasi.

De opstand die het regime in het najaar van 1989 in de problemen bracht, verdiende deze naam pas heel laat. Het ging in eerste instantie om een uittocht, mogelijk gemaakt door de regering van Hongarije. Op 19 augustus 1989 liet Boedapest weten dat DDR-burgers de grens met Oostenrijk mochten oversteken. Zo kwam een abrupt einde aan de praktijk dat Oost-Duitsers die via Hongaars grondgebied naar het Westen probeerden te vluchten, werden opgepakt en uitgeleverd aan de DDR. Deze politieke ommekeer leidde tot een massale uittocht. Sinds de nazomer van 1989 kon men om de Muur heen, die dus toen al geen effectieve barricade voor emigratie meer was.

Vervolgens ging in de DDR de bevolking in oktober dat jaar massaal de straat op om politieke hervormingen te eisen: ‘Wij zijn het volk’. De partij raakte in paniek, die door Kowalczuk met veel gevoel voor drama wordt beschreven. Een maand later was het zover: in een chaotische aankondiging liet het zieltogende regime weten de vrije uitreis naar de Bondsrepubliek niet langer te blokkeren. De Muur kon worden gesloopt.

‘In het begin was er Gorbatsjov’, schrijft Andreas Rödder, hoogleraar nieuwste geschiedenis in Mainz. Deutschland einig Vaterland, een samenvattende geschiedenis van de val van de Muur en de Duitse eenwording, is een boek dat in de stroom van recente publicaties met kop en schouders uitsteekt boven zijn concurrenten. Rödder is geen man van nieuwtjes, maar wel van evenwichtige uiteenzettingen en puntige analyses. Hij maakt duidelijk waarom de politieke bevrijding in Duitsland veel meer van buiten dan van binnen kwam. Gorbatsjov, in maart 1985 aangetreden als partijleider, was de sleutelfiguur. De grote vraag is waarom hij hervormingen afkondigde die het Sovjetrijk onttakelden en de val van de Muur mogelijk maakten.

Het antwoord van Rödder is scherp: Gorby had geen idee wat hij aan het doen was. Naïviteit en ijdelheid, gebrek aan realiteitszin en megalomanie, speelden hem parten. Bij zijn aantreden werd hij geconfronteerd met een veelheid aan problemen: een stagnerende economie, een achterstand in de micro-elektronische revolutie en opstanden in Polen en Afghanistan. Bovendien zette de Amerikaanse president Reagan met zijn bewapeningsinitiatieven de Sovjet-Unie onder druk. Met de afkondiging van glasnost (openheid) en perestrojka (hervorming) deed Gorbatsjov een grote gooi om het communistische systeem te versterken door het grondig te wijzigen. Maar de hervormingen had hij niet in de hand.

Toch was die ontwikkeling niet onvermijdelijk. Waarom greep hij niet in toen steeds meer bleek dat het systeem niet werd versterkt, maar te gronde werd gericht? Zowel in binnen- als buitenland waren er veel kameraden die hem vroegtijdig waarschuwden voor de onbedoelde gevolgen van zijn politiek. De hardhandige ingreep in juni 1989 van de Chinese partijleiding op het Plein van de Hemelse Vrede, kort na een bezoek van Gorbatsjov aan Peking, was een bewijs dat verloren terrein met geweld kon worden herwonnen.

DDR-leider Erich Honecker had in oktober 1989 het Chinese model graag toegepast, maar dat was alleen mogelijk als de 150.000 Sovjetsoldaten in de DDR in actie kwamen. Gorbatsjov weigerde zijn medewerking aan een gewelddadige ingreep. Evenmin corrigeerde hij zijn politieke koers. Hij gaf Honecker te verstaan dat die zich moest schikken in onontkoombare veranderingen: ‘Wie te laat komt, wordt gestraft door het leven’.

De verklaring voor dit gedrag is te vinden in het onmisbare Russland 1989 van Helmut Altrichter, hoogleraar Oost-Europese geschiedenis in Erlangen-Nürnberg. Wie wil begrijpen waarom de Muur is gevallen, aldus deze auteur, moet zich verdiepen in de binnenlandse ontwikkelingen van de Sovjet-Unie aan het einde van de jaren tachtig. In 1987 nam het Centrale Comité van de partij op initiatief van Gorbatsjov een resolutie aan met een oproep tot ‘democratisering van de samenleving’. Als eerste stap werden een jaar later vrije verkiezingen aangekondigd voor een nieuw Congres van Volksgedeputeerden, dat in mei 1989 zijn eerste zitting hield. Secretaris-generaal Gorbatsjov werd daar op een lawine van kritiek getrakteerd, een in de Sovjet-geschiedenis ongekend en revolutionair schouwspel. De essentie van de veranderingen, schrijft Altrichter, was een razendsnel machtsverval van de communistische partij. Die ontwikkeling ondermijnde ook de steun aan de satellietstaten in Oost-Europa. Zij kregen te horen dat ze voortaan op eigen benen moesten staan, wat ze niet konden omdat ze altijd afhankelijk waren geweest van Moskou.

Gorbatsjov is terecht geprezen omdat hij de Chinese route afsloot: gewelddadig ingrijpen in Oost- Europa had vele slachtoffers gemaakt. Maar deze daad was niet door louter humanitaire overwegingen ingegeven. Het was voor hem politiek onmogelijk geworden om over te gaan tot een Sovjetinterventie oude stijl. In dat geval had hij eigenhandig het failliet van zijn hervormingsplannen afgekondigd en zou hij door zijn conservatieve tegenstanders in de partij zijn afgezet.

De buitenlandse politiek van Gorbatsjov die tot de val van de Muur leidde, was dus voor een groot deel binnenlandse politiek. Maar wat zijn motieven ook waren, de Duitse revolutie met de goede afloop is vooral zìjn historische verdienste. Met die prestatie heeft hij de inwoners van de DDR onbedoeld ingewreven dat zij zelf weinig hebben bijgedragen aan hun bevrijding, maar dat kan hem moeilijk worden aangerekend. Bovendien heeft de kater die ook nu nog in de Ostländer rondwaart nog een diepere oorzaak.

De politieke bevrijding van de DDR, die begon met een uittocht, werd bezegeld met een opheffing. In de andere satellietstaten leidde het einde van de Sovjetoverheersing tot een herstel van de nationale soevereiniteit. De DDR daarentegen verdween binnen een jaar na de val van de Muur en werd in het kader van de Duitse eenwording bij de Bondsrepubliek gevoegd. Dat resultaat was het gevolg van een daad van zelfbeschikking, uitgedrukt in de uitslag van de eerste vrije verkiezingen in maart 1990. Niettemin vaagde die handeling vier decennia levensgeschiedenis in één klap weg.

Om de psychische gevolgen van deze cesuur te peilen moet een bewustzijnslaag worden aangeboord die voor de romanliteratuur makkelijker toegankelijk is dan voor de geschiedschrijving. Rayk Wieland, geboren in 1965 en opgegroeid in de DDR, laat in Ich schlage vor dass wir uns küssen zijn hoofdpersoon (‘W.’) hardop denken: ‘het lijkt of de DDR nooit heeft bestaan en ik dus een lange periode ook niet’. Als je eigen staat bij het afval van de geschiedenis wordt gezet, kom je zelf ook een beetje op de vuilnisbelt terecht.

Hij wordt na de Wende uitgenodigd voor een symposium over ondergrondse DDR-poëzie. Hij is verbaasd, want de enige gedichten die hij heeft geschreven stonden in een door de Stasi onderschepte liefdesbrief aan een vriendin. De uitnodiging scherpt zijn besef dat de Stasi betekenis heeft gegeven en nog steeds geeft aan zijn bestaan. Om dit gevoel over te dragen stelt hij de organisatie van het symposium voor een loflied op de Muur voor te dragen. Het resultaat is dat iedereen in deze satirische roman in verwarring raakt. Natuurlijk wil niemand de Muur en de Stasi terug. Maar de opheffing van de DDR heeft bij veel Oost-Duitsers een mentaal gat geslagen dat moeilijk is op te vullen.