'Hebzucht zit in ons allemaal'

In Capitalism. A Love Story zet documentairemaker Michael Moore het kapitalisme in de beklaagdenbank. Het is zijn radicaalste film tot nu toe. ‘Niemand wil meer met mij praten.’

Achter hem staat een beveiliger, en voor de deur van het zaaltje van Hotels des Bains in Venetië, waar hij uitputtend met de pers praat, staat nog een beveiligingsman. De Amerikaanse documentairemaker Michael Moore roept veel controverses op met zijn uitgesproken, polemische films, tot bedreigingen aan toe. Moore: „In het openbaar zeg ik daarover liever niet te veel. Ik zal er op enig moment wel over gaan schrijven. Maar het is natuurlijk belachelijk dat deze beveiliging nodig is. Ik ben niet meer dan een filmmaker, ik leef in een vrij land. De prijs die mijn familie en ik voor mijn films hebben moeten betalen, is zeer hoog. Zo hoog dat ik niet zeker weet of ik deze films wel zou gaan maken, als ik het allemaal nog een keer over zou kunnen doen.”

De nieuwe film van Moore, Capitalism. A Love Story, die tijdens het IDFA in Nederlandse première gaat, maakt de cirkel rond. In zijn doorbraakfilm Roger & Me (1989) hekelde hij de desastreuze impact van het vertrek van General Motors op zijn geboorteplaats Flint, Michigan. De Amerikaanse automaker is ondertussen failliet gegaan en deels overgenomen door de overheid. „Heel Amerika is één groot Flint geworden”, zegt Moore in zijn nieuwe film. Vandaar dat hij in Capitalism. A Love Story de desastreuze gevolgen van het ongebreidelde kapitalisme op landelijke schaal aanpakt.

Moore is de meeste succesvolle documentairemaker ooit – op de lijst van best bezochte documentaires aller tijden prijken twee van zijn films op de eerste en tweede plaats: Fahrenheit 9/11 , zijn pamfletfilm tegen het beleid van George W. Bush, en Bowling for Columbine , over de gekte van de Amerikaanse wapenliefde.

Capitalism. A Love Story was ooit aangekondigd als een vervolg op Fahrenheit 9/11. Maar dat was uitsluitend bedoeld om geen slapende honden wakker te maken, vertelt Moore in Venetië, waar zijn nieuwe film in september voor het eerst te zien was. Vanaf het begin was het zijn bedoeling om een film te maken waarin het kapitalisme in de beklaagdenbank zou worden gezet. De beelden van Amerikanen die uit hun huis worden gezet zijn misschien bekend. Moore die het trottoir rond een bank afzet met politietape (‘Do not cross. Crime scene’), is misschien niet zo heel verrassend, maar de boodschap komt over, en Moore’s humor werkt nog steeds aanstekelijk.

Capitalism. A Love Story is tegelijk de meest ontspannen als de meest radicale film die Moore tot nu toe maakte. De conclusie liegt er niet om: het kapitalisme kan niet worden hervormd, omdat het regelrecht kwaadaardig is, maar moet worden afgeschaft. De toon van de film is minder dramatisch dan we van Moore gewend zijn. Hij ziet de toekomstig zonniger in door de verkiezing van Barack Obama, en allerlei kleinschalige acties waarbij hij in de film uitgebreid stil staat: werknemers die hun bedrijf bezetten als ze ontslagen dreigen te worden, en huiseigenaren die weigeren te vertrekken als de deurwaarder aanbelt.

Het alternatief voor kapitalisme noemt Moore: democratie. Burgers moeten volgens hem niet alleen eens in de vier jaar naar de stembus gaan, maar ook directe inspraak en zeggenschap krijgen over de economie. Voor de Russische en Oost-Europese journalisten op het filmfestival van Venetië doet die boodschap iets te veel denken aan het reëel bestaande socialisme waar ze zo graag vanaf wilden.

‘Gelooft u nog steeds in socialisme met een menselijk gezicht?’, is de eerste, argwanende vraag die Moore voorgelegd krijgt tijdens een interview met een groep journalisten, afkomstig uit alle windstreken van de wereld.

Moore: „Ik denk dat de inwoners van voormalige socialistische staten niet het kind met het badwater moeten weggooien, net zo min als ik het hele christendom moet afwijzen, uitsluitend omdat een aantal extremistische idioten met Jezus aan de haal is gegaan, en van hem een figuur heeft gemaakt die vervuld is van haat. Zelfs als je geen christen bent, moet je toegeven dat Jezus uitspraken heeft gedaan die heel sterk zijn. Op dezelfde manier is de term socialisme gebruikt en misbruikt door lieden die alleen maar uit waren op het vergroten van hun eigen macht.

„Ik vind het nogal triest voor Marx dat zijn naam, honderd jaar na zijn dood, zo misbruikt is. Met het idee dat de welvaart enigszins eerlijk en rechtvaardig verdeeld zou moeten worden, is nog steeds niets mis. Hoe valt het te verdedigen dat 5 procent van de Amerikaanse bevolking evenveel rijkdom en bezittingen heeft als de overige 95 procent van de bevolking? Dat valt niet te verdedigen. Zo’n wanverhouding gaat in tegen iedere vorm van menselijke waardigheid.”

Gaan de Verenigde Staten onder president Obama meer de kant op die u wil?

„Tot op zekere hoogte is Obama een socialist. Hij heeft tijdens de verkiezingscampagne tegen Joe the Plumber gezegd dat hij de welvaart eerlijker wil verdelen. Toen begonnen meteen alarmbellen te rinkelen. Dingdong! Dat is het meest basale geloofsartikel van het socialisme. Daarom is hij daar ook zo woest op aangevallen door zijn tegenstanders.”

Maar komt er in de praktijk ook iets van die herverdeling terecht ?

„Obama is nog maar net begonnen. Hij heeft een catastrofe geërfd, die is achtergelaten door een krankzinnige president die het land en de rest van de wereld bijna in de afgrond heeft gestort. Hoe Obama dat allemaal recht kan breien in acht maanden, of zelfs in acht jaar, gaat mijn pet te boven. Eerlijk gezegd begrijp ik niet helemaal waarom hij deze baan wilde. Maar ik heb zeer veel bewondering voor hem en en ik heb er veel vertrouwen in dat hij zal slagen.”

Heeft u nog wel iets om tegen in verzet te komen, met president Obama in het Witte Huis?

„Ik denk dat het alleen maar belangrijker is geworden dat ik dit soort films maak. Kijk naar de New Deal van president Roosevelt in de jaren dertig. Dat was de tijd waarin Frank Capra, Preston Sturges en John Ford hun grote films maakten. Dat was mogelijk omdat ze konden werken in een klimaat waarin de kunsten werden ondersteund. Omgekeerd had president Roosevelt de steun nodig van schrijvers en filmmakers om de Amerikanen van zijn politieke ideeën te overtuigen. De populaire cultuur heeft de basis gelegd voor het succes van Roosevelt. Obama heeft de schrijvers en regisseurs van deze tijd nodig om mensen overtuigen. Ik hoop dat filmmakers die rol op zich zullen nemen.

„Sommige mensen zeggen tegen me dat ik niets meer te doen zal hebben met Obama als president. Ik denk juist het tegenoverstelde gaat gebeuren: ik zal opbloeien. Het is nu al een enorme opluchting dat we de donkere periode van Bush, waarin stompzinnigheid actief werd aangemoedigd, achter ons hebben gelaten.”

Is het gemakkelijker of moeilijker geworden om uw films te maken nu iedereen weet wie u bent?

„Veel moeilijker. Politici, bankiers, topmannen uit het bedrijfsleven – niemand wil meer met mij praten, omdat ze bang voor me zijn. En ze moeten ook bang voor me zijn, want hun standpunten zijn onverdedigbaar. Hoe kun je verdedigen dat iemand die ziek is niet naar de dokter kan? Dat valt niet te verdedigen. Daarom zit er voor hen niets anders op dan mij persoonlijk aan te vallen, mijn naam te besmeuren. Dat is op een enorme schaal gebeurd bij Sicko, mijn film over de gezondheidszorg. De Amerikaanse zorgverzekeraars hebben alles geprobeerd om mij in diskrediet te brengen. Ze hebben daar zelfs een speciaal fonds voor opgericht. Dat staat inmiddels onomstotelijk vast.”

Maakt u films uit woede, of uit solidariteit en mededogen?

„Ik hoop dat ik gedreven wordt door mededogen. Over de woede heb ik geen controle. Het enige wat ik met mijn woede kan doen, is die enigszins in goede banen leiden met humor. Ik denk dat alle grote komieken en satirici hele boze mensen waren. Komieken als Charlie Chaplin, Groucho Marx, Lenny Bruce, Richard Pryor hadden allemaal grote woede in zich. Ze gebruikten humor om hun woede te beheersen. Humor kan een zeer krachtig wapen zijn tegen onrechtvaardigheid.

„Wat het mededogen betreft, denk ik dat Amerikanen een emotioneler volk zijn dan de meeste andere. Ik weet dat een Europees publiek er soms moeite mee heeft als ik bijvoorbeeld een huilend kind laat zien. Maar ons, Amerikanen, raakt dat.”

De stijl van uw films is door de jaren heen niet erg veranderd.

„Voor mij hoeft een regisseur zich niet steeds opnieuw uit te vinden. Van een filmmaker als Woody Allen krijg ik nooit genoeg, hoeveel films hij ook heeft gemaakt. Ik ben juist teleurgesteld als Woody Allen niet zelf te zien is in een van zijn films. Sommige dingen veranderen nooit. De man die uitglijdt over een bananenschil gaat al een paar honderd jaar mee, maar is nog steeds grappig.”

Gaat het u om de politieke boodschap of om de film zelf?

„De film moet altijd op de eerste plaats komen. Mijn doel is altijd in de eerste plaats om een geweldige film te maken. Als je de boodschap voorop zet, ben je verloren. Dan komt er niemand kijken. En dan gaat de boodschap ook verloren. Ik zou willen dat meer documentairemakers dat zouden beseffen. Als je als filmmaker de boodschap voorop zet, dan heb je het verkeerde vak gekozen. Dan moet je de politiek ingaan, of activist worden.”

Is dit uw meest radicale film tot nu toe? U eindigt ermee dat het kapitalisme moet worden afgeschaft.

„Een vriend van me heeft de film vorige week gezien, en hij zei na afloop tegen me dat dit de gevaarlijkste film is die ik tot nu toe heb gemaakt. Prima. Ik had me voorgenomen om me bij deze film op geen enkele manier in te houden.”

In uw film valt u de inhaligheid van de banken en de beurshandelaren aan. Wat doet u zelf eigenlijk met uw geld?

„Ik heb geen aandelen, daar geloof ik niet in. Ik heb mijn geld op een spaarrekening staan en ik heb wat staatsobligaties. Het voordeel van geld hebben, is dat ik van niemand meer afhankelijk ben, ook niet van de studio’s die mijn films uitbrengen. De Amerikaanse arbeidersklasse heeft daar een uitdrukking voor: ‘fuck you-money’. Als ik iets doe, dat iemand niet bevalt kan ik altijd ‘fuck you’ zeggen, omdat ik geld heb om op terug te vallen. Niemand kan me dwingen om iets te doen waar ik niet achter sta.”

Gaat u ooit een onderwerp behandelen buiten de VS? Globalisering bijvoorbeeld?

„Nee. Van Sicko heb ik geleerd dat niemand zit te wachten op mijn mening over de gezondheidszorg in Frankrijk. Capitalism is helemaal op de VS gericht, maar de film is, denk ik, ook voor andere landen interessant, omdat je een beeld krijgt van Amerika dat nooit CNN haalt. En er vallen ook lessen uit te trekken voor andere landen, bijvoorbeeld dat privatisering misschien toch niet zo’n heel goed idee is, omdat het hebzucht aanwakkert.

Hebzucht zit in ons allemaal, we hebben allemaal die duistere kant. Het kwalijke van het kapitalisme is dat het de hebzucht niet probeert te temmen en in te dammen, maar juist aanmoedigt en versterkt.”

‘Capitalism. A Love Story’ draait op het IDFA op de volgende data: 21 nov. 11.15 Tuschinski 1, 25 nov 15.15 Tuschinksi 2 en 29 nov. 13.30 Munt 09. Vanaf 26 november is de film ook te zien in diverse Nederlandse bioscopen.