Grote Mannen met Grote Visies

Twee monumentale studies laten zien dat de geschiedenis van het communisme van a tot z is gemaakt door ambitieuze potentaten. Karl Marx had het weer bij het verkeerde eind.

Archie Brown: De opkomst en ondergang van het communisme. Vertaling Ronald Kuil en Tiny Mulder. Spectrum, 975 blz. € 49,95

David Priestland: The Red Flag. Communism and the Making of the Modern World. Allen Lane, 676 blz. €53,55

De wereldkaart voorin De opkomst en ondergang van het communisme van Archie Brown laat maar één conclusie toe: in 1980, negen jaar voor de val van de Muur, was het communisme een immens succes. Het communistische wereldrijk strekte zich uit van de Elbe tot de Grote Oceaan en bestond uit zestien landen. Niet alleen de Sovjet-Unie, die alleen al meer dan ‘eenzesde deel van de wereld’ besloeg, was communistisch, ook het land met de grootste bevolking, China. En dan is Archie Brown, de Britse emeritus hoogleraar politieke wetenschappen aan de Oxford University, nog streng in zijn definitie van communisme. Om communistisch genoemd te worden, moet een land voldoen aan zes kenmerken, waaronder het machtsmonopolie van de communistische partij en een planmatige economie. Zo heeft Afrika volgens Brown nooit een echt communistisch land gekend en Latijns-Amerika slechts één: Cuba.

Behalve De opkomst en ondergang van het communisme verscheen onlangs nog een monumentaal boek over de geschiedenis van het communisme: The Red Flag van David Priestland, docent moderne geschiedenis aan de Oxford University. Beide indrukwekkende boeken zijn allesomvattend: ze beginnen met voorlopers van het communisme als Thomas More (1478- 1535) en eindigen met de reactie van de overgebleven vijf communistische landen – China, Laos, Vietnam, Noord-Korea en Cuba – op de wereldwijde kredietcrisis. Ook China kreeg te maken met toenemende werkloosheid en de daarbij horende sociale onrust, schrijft Brown. Dit stelt de communistische machthebbers voor een keus: nog hardere repressie of een serieuze democratisering van het politieke systeem. China lijkt voorlopig te kiezen voor repressie.

Belangrijkste verschil tussen beide studies is dat de gruwelen van het communisme relatief weinig aandacht krijgen in The Red Flag. Bijna terloops vermeldt Priestland hier en daar het aantal gevangenen dat vastzat in de Russische kampen of het aantal slachtoffers dat Mao’s sociale experimenten eiste. ‘Het resultaat was een rampzalige hongersnood: volgens sommige schattingen stierven tussen de 20 en 30 miljoen mensen tussen 1958-1961, een van de meest vernietigende hongersnoden uit de moderne geschiedenis’, is alles wat hij schrijft over de dodelijke gevolgen van Mao’s Grote Sprong Voorwaarts. Anders dan Archie Brown lijkt Priestland terreur en moordpartijen niet te beschouwen als een wezenlijk onderdeel van de geschiedenis van het communisme, maar als een soort collateral damage van de poging om landbouwstaten als Rusland, China en Cambodja in sneltreinvaart te moderniseren.

Voor Priestland is het communisme eerst en vooral toch een heroïsche onderneming. In de inleiding van The Red Flag noemt hij communisten de erfgenamen van Prometheus, de Griekse halfgod die het vuur roofde bij de Olympische goden om het aan de kouwelijke aardbewoners te geven. Prometheus had het beste met de mensheid voor, maar in Aeschylus’ toneelstuk Prometheus geboeid had hij ook weinig geduld met ‘gewone mensen die het ‘vuur’ van de kennis en de Verlichting afwezen’, schrijft hij. ‘Communisten konden net zo kwaad worden op – en gewelddadig jegens – de ‘achterlijke’ boeren en gelovigen die hun visie verworpen als tegen de adel en handelaren’.

Mooi aan The Red Flag is dat Priestland zijn verhaal heeft verweven met beschrijvingen van kunstwerken die iets duidelijk maken over de aard van het communisme. Bijna in elk hoofdstuk gaat hij in op een film, een roman, een schilderij, een toneelstuk of een gebouw. Zo ziet hij in de stalinistische suikertaarten die bijna alle Oost- Europese hoofdsteden als cadeau van Stalin kregen opgedrongen een uitdrukking van de verhouding tussen de Sovjet-Unie en de Oost-Europese satellietstaten.

Priestland heeft ook een goed oog voor de anekdotische kanten van de geschiedenis van het communisme. Over Mao vermeldt hij bijvoorbeeld dat hij, zoals alle Chinese boeren, nooit zijn tanden poetste, waardoor zijn gebit in de loop van de jaren was veranderd in een haag zwarte, onwelriekende stompjes. Ook vertelt hij over het stadje Mosinee in Wisconsin waar op 1 mei 1950 voor één dag de macht werd overgenomen door namaak-commies van het oerconservatieve Amerikaanse veteranenlegioen. ’s Ochtends vroeg werd de burgemeester gedwongen om op het tot Rode Plein omgedoopte hoofdplein te verklaren dat Mosinee voortaan deel uitmaakte van de USSA, de Unie van Socialistische Staten van Amerika. Om de dorpsbevolking duidelijk te maken hoe verschrikkelijk communisme was, ging het voedsel die dag op de bon en serveerden restaurants slechts aardappelsoep met bruin brood.

De opkomst en ondergang van het communisme is zakelijker en nuchterder dan The Red Flag, al mag Brown tussen alle moordpartijen door wel graag een paar goede Sovjetmoppen tappen. Ook zijn beoordeling van het communisme, waarvan de geschiedenis overigens nog steeds niet ten einde is, is eenvoudiger. ‘De idee om communisme op te bouwen, een samenleving waarin de Staat zou zijn afgestorven, bleek een gevaarlijke illusie’, schrijft hij in het laatste hoofdstuk van zijn boek. ‘Als alternatieve manier om de menselijke samenleving te organiseren, bleek het Communisme een vreselijke mislukking.’

Wat Priestland en Brown delen, is dat ze de geschiedenis van het communisme beschouwen als het verhaal van Grote Mannen met Grote Visies. Dat is hoogst ironisch voor een verschijnsel waarvan de belangrijkste grondlegger, Karl Marx, juist vond dat ideeën van ondergeschikt belang zijn voor de geschiedenis. Volgens Marx is niet de ‘bovenbouw’ van politiek-culturele verhoudingen bepalend voor de loop van de geschiedenis, maar de ‘onderbouw’ van economische verhoudingen. Brown en Priestland laten overtuigend zien dat Marx het ook hierin bij het verkeerde eind had: de geschiedenis van het communisme was van a tot z het gevolg van theorieën die in praktijk werden omgezet. Dat begon al met de Russische Revolutie die geen onvermijdelijke omwenteling was, maar een staatsgreep van de bolsjewieken onder leiding van de ambitieuze boekenschrijver Lenin.

Ook het einde van het communisme in de Sovjet-Unie beschouwen Archer en Priestland, anders dan algemeen wordt aangenomen, niet als het gevolg van het onvermogen van het Sovjet-Unie en het Oostblok om het Westen op economisch gebied bij te benen. Economische rampspoed leidt niet noodzakelijkerwijs tot het einde van het regime dat daar verantwoordelijk voor is, schrijft Brown. Ondanks de lage levensstandaard en steeds weerkerende hongersnoden zit het communistische regime van Noord-Korea bijvoorbeeld nog altijd stevig in het zadel. Nee, dat twintig jaar geleden aan het communisme in de Sovjet-Unie een einde kwam, is het gevolg van de overtuiging van de toenmalige secretaris-generaal van de Communistische Partij, Michail Gorbatsjov, dat het Sovjetcommunisme moest worden hervormd en de Koude Oorlog moest worden beëindigd.

Rectificatie / Gerectificeerd

Aanvulling Communisme

BRIEVEN

Van The Red Flag van David Priestland, besproken in Boeken 06.11.09, is bij de Bezige Bij ook een Nederlandse vertaling (door Janine van der Kooij, Pon Ruiter en Frits van der Waa) verschenen: De rode vlag. De wereldgeschiedenis van het communisme.

Redactie