Even weg uit een saai leven

Het betreden van een oorlog is als het openen van de kooi. De mens is getemd, maar even lijkt alles mogelijk. Bij de foto’s van Ad van Denderen.

De dystopie Brave New World van Aldous Huxley stelt de hedendaagse lezer voor onverwachte problemen. Hoe afschrikwekkend is de civilisatie eigenlijk die Huxley de lezer voorschotelt als toekomstbeeld? Zitten er ook niet aangename en verleidelijke kanten aan?

Huxley voert Mustafa Mond op, die namens de beschaving spreekt: ‘De civilisatie heeft niet de minste behoefte aan adeldom of heldendom. Dat zijn symptomen van ondoelmatige politiek. In een behoorlijk georganiseerde maatschappij zoals de onze komt niemand in de gelegenheid om edel of heldhaftig te zijn. De omstandigheden moeten buitengewoon instabiel zijn eer de gelegenheid zich zal voordoen. Waar oorlogen zijn, waar verdeelde loyaliteiten zijn, waar verleidingen weerstaan moeten worden, waar gevochten moet worden om liefdesobjecten te winnen of te verdedigen – daar hebben adeldom en heldendom uiteraard wel zin. Maar er zijn tegenwoordig geen oorlogen meer. Er wordt met grote zorg naar gestreefd te voorkomen dat je te veel van iemand gaat houden. Verdeelde loyaliteiten bestaan al helemaal niet; je wordt zo geconditioneerd dat je niet anders kunt doen dan wat je behoort te doen. En wat je behoort te doen is over het geheel genomen zo aangenaam, er wordt aan zoveel natuurlijke aandriften vrij spel gegund, dat er eigenlijk geen verleidingen zijn waaraan weerstand moet worden geboden.’

De zin over het conditioneren zou de gemiddelde christen-democraat natuurlijk anders hebben geformuleerd. Er zou sprake zijn geweest van het op de juiste manier stimuleren van de burger. En dat je niet te veel van iemand moet houden zou geen politicus durven te beweren; vrijwel niemand zou dat durven te beweren, hoe meer liefde hoe beter. Verder kan tegenwoordig het verzorgen van een bejaarde of een doodziek kanariepietje al heldhaftig worden genoemd, maar de essentie van de beschavingsidealen in Heerlijke nieuwe wereld verschilt niet wezenlijk van de onze. Al met al zijn de idealen van Mustafa Mond – voor zover de beschrijving van zijn wereld nog als ideaal kan worden gezien – min of meer gelijk aan de idealen van de hedendaagse christen-democraten, de sociaal-democraten, de liberalen, de democraten en uiteraard de hedendaagse kunstenaars, want een kunstenaar die niet op een of andere manier zelf overgoten is met een christen-democratisch sausje of zijn werk daarmee heeft overgoten is ver te zoeken. De schaamlap van het engagement dient over het al dan niet middelmatige kunstwerk te worden gelegd in de hoop dat het voor relevant zal doorgaan; houtsnijwerk tegen het besnijden van vrouwen, een kunstenaar die in een video-installatie gesponsord door Kraft toont hoe erg het is dat bankdirecteuren nog altijd miljoenen opstrijken, een vuistdikke roman waarin de vernietigende gevolgen worden getoond van het ontbreken van goede ziektekostenverzekeringen in de VS; ik heb niets tegen empathie, ik zou niet durven, ook niet in de literatuur of de beeldende kunst, maar waar engagement in de wereld van de kunst ophoudt en marketing begint, is moeilijk te zeggen. En ik vrees dat het er in de wereld van de politiek niet veel beter voorstaat.

Zouden we kunst echt nodig hebben om ons eraan te herinneren dat het vreselijke vreselijk is?

Dat Huxley’s civilisatie in Brave New World zo lijkt op de onze komt omdat de inzet van beide beschavingen gelijk is. Waar het om gaat, is het temmen van de mens in naam van het geluk van allen. Dat is in beide werelden waar deugd op neerkomt, de rest vloeit daaruit voort.

Wie dat tot zich laat doordringen zal bijvoorbeeld begrijpen dat het conflict tussen gelovigen en minder gelovigen of afvallige gelovigen, dat nu al een paar jaar breed wordt uitgemeten in diverse media en boekwerken, hooguit een mild meningsverschil is over het beeld dat wij ons hebben gevormd van de gedomesticeerde mens. Het wezenlijke, of de mens beter getemd moet worden of niet, staat niet ter discussie, daarover zijn beide partijen het namelijk roerend eens. Met of zonder hoofddoek, halfbloot of bedekt, de vraag of de getemde mens zijn vrije tijd in een gebedshuis, voetbalstadion of museum door moet brengen: details, een hikje van de geschiedenis.

Of God nu zijn mond opentrekt of de rede, zij willen hetzelfde afdwingen. De rede zegt: ‘Domesticeer uzelf, en als dat niet lukt ga naar de bibliotheek.’ God zegt: ‘Ik blink uit door afwezigheid, maar ik heb priesters, rabbijnen en imams op de wereld gezet die u namens mij komen domesticeren.’

Of de een vast omdat God dat wil en de ander op dieet gaat om met goed fatsoen tijdens een avondje uit een naveltruitje te kunnen dragen, men kan hooguit glimlachen om het ontroerende en vermoedelijk ook mooie doorzettingsvermogen van zijn soortgenoten. De meewarige blik op de mens toont ons vaak zijn schoonheid. Men kan zich natuurlijk ook opwinden over ’t een en ander, maar ik vrees dat die opwinding vooral voortkomt uit een diepe en op zichzelf ook wel begrijpelijke behoefte aan opwinding. Ook de getemde wil af en toe voelen dat hij leeft.

Vasten voor God of het naveltruitje, de motieven die mensen geven voor hun daden onthullen slechts zeer zelden iets wezenlijks over hun werkelijke drijfveren. De al dan niet uitgesproken motieven zijn vormen van fictie, die net als de vertelkunst zelf voor enige samenhang moeten zorgen. Wie fictie nodig heeft in zijn leven kan dat misschien beter overlaten aan de professionals.

De verschillende opvattingen over de gedomesticeerde mens komen eigenlijk neer op twee verschillende opvattingen over autoriteit. De ene opvatting luidt: de professionals van het fictieve die zich autoriteit hebben toegeëigend zijn ontmaskerd. De samenhang die zij aanbrengen is niet beter dan onze eigen samenhang. Wij bepalen zelf wel wat fictie is. De andere opvatting is dat de status van de autoriteiten onveranderd is. De samenhang die door de autoriteiten is aangebracht, namens welke godheid zij ook spreken, is absoluut.

Ergens tussen deze twee polen bevinden zich de romanschrijvers als een sekte zonder werkelijke volgelingen. Zij bemiddelen tussen goden en mensen, wetend dat op hun bemiddeling geen prijs meer wordt gesteld, wetend dat zij de status van bemiddelaar hebben verspeeld. Over die crisis gaat de romankunst al decennia.

En daarover valt nog van alles te beweren, maar voor nu is het genoeg te zeggen dat er geen weg terug is voor wie stelt: ik zorg wel voor mijn eigen samenhang, ik bepaal zelf wat fictie is. Wat overblijft is veinzen of spelen.

J.M. Coetzee schrijft in Elizabeth Costello: ‘Er is een tijd geweest, zo geloven we, waarin we konden zeggen wie we waren. Nu zijn we alleen nog maar toneelspelers die onze rol opzeggen. De bodem is weggevallen. We zouden dit als een tragische ontwikkeling kunnen beschouwen, ware het niet dat het moeilijk is om respect op te brengen voor wat die bodem die is weggevallen geweest mag zijn.’

Er zijn nog nietzscheanen die in de getemde mens een gedegenereerd dier herkennen, maar ze zijn door en door ironisch of ze hebben zich teruggetrokken in stoffige uithoeken van de academie, waaruit ze af en toe voor een conferentie of een symposium tevoorschijn komen om wat opwinding te genereren. Als iedereen christen-democratische idealen verkondigt, dan zou zelfs het academische leven instorten van saaiheid. En waar saaiheid regeert, worden budgetten gekort.

Ik geef hun geen ongelijk, de christen-democraten vermomd als kunstenaar, imam, voetballer, liberaal of generaal. Ook ik woon graag naast een gedegenereerd dier dat om elf uur gaat slapen, maar ik vermoed dat de mens zich af en toe in iets wil verliezen om het lijden dat de domesticatie met zich meebrengt te bestrijden.

Jezus, zo zeggen christenen, heeft het lijden van de mensheid op zich genomen. Verhaaltechnisch gezien, en niemand zal het mij kwalijk nemen dat ik het Jezus-verhaal ook verhaaltechnisch onder de loep neem, lijkt het mij waarschijnlijk dat God het lijden op de wereld heeft geschapen om een baan voor zijn zoon te creëren. Zonder het lijden van de mensheid was Jezus werkloos gebleven, hij was anders een nobody geweest, een flapdrol om het maar eens even in onze newspeak te zeggen, net als al zijn collega-profeten. Wij lijden omdat God de werkloosheid in zijn familie meende te moeten bestrijden. Dat is toch iets anders dan God voor te stellen als een wreed en irrationeel monster. Hij had een crisisplan. En het gaat er uiteraard niet om of de goden zich om ons bekommeren, de vraag is of wij ons om de goden bekommeren.

Ik vermoed dat wij op een eigenaardige manier verknocht zijn aan het lijden en via allerlei sluipwegen, die van de religie, die van de kunst, die van het nationalisme, die van het heldendom, dat lijden verheerlijken omdat wij zonder lijden niet langer kunnen geloven dat er een mogelijkheid is om vrij te zijn.

Wij zijn gedomesticeerd, maar we zijn verknocht aan het idee dat we eruit kunnen stappen, zomaar van de ene dag op de andere. En soms stappen we er ook een beetje uit, we voelen met onze grote teen in de oceaan, we lezen een boek, we fietsen naar Rome hoewel we genoeg geld hebben om met de trein of het vliegtuig te gaan, we wandelen op de Noordpool of we nemen plaats in de langste, nieuwste, luidruchtigste en engste achtbaan van de wereld.

Als er echt een ongedomesticeerde opstaat, slaat ons de schrik om het hart. Een bomaanslag in een stad waar mensen wonen zoals wij, of een blanke wilde die het op de koningin heeft voorzien en die kennelijk door de mazen van het net van alle domesticatiemachines is geglipt, ja dan schrikken we vreselijk. Maar dat is de prijs die we betalen voor de illusie van vrijheid. Een hoge prijs? Ik weet het niet, de vrijheid is een waardevol en misschien wel onmisbaar fata morgana.

We zouden allemaal aan de soma kunnen gaan, het tabletje dat een geluksgevoel oproept in Huxley’s dystopie, maar we willen graag dat mensen de licht comateuze toestand van het milde geluk bereiken, zonder dat wij van overheidswege worden volgepompt met tabletjes die ervoor zorgen dat de enkele wilden die nog onder ons zijn hun laatste verlangens naar wild-zijn laten varen.

Wij zijn er trots op dat wij het deur van de kooi zelf dichttrekken. Dat is de kern van wat wij beschaving noemen. De beschaafde mens roept: ‘Nee, nee, ik heb geen bewaker nodig. Ik heb de deur al op slot gedaan, ik lig al heerlijk in het stro.’

Dit is geen kritiek, deel mij niet abusievelijk in bij nietzscheanen, zoals gezegd, ik ben best blij met deze kooien.

Sommige mensen houden marmotten, andere houden woestijnratten, weer andere konijnen, maar alle beschaafde mensen houden zichzelf; het is hun geleerd. Er zijn plekken op deze wereld, oases zal ik ze noemen, waar de domesticatie wordt doorbroken: oorlogsgebieden. Het woord ‘oase’ zou de gedachte kunnen oproepen dat ik oorlog verheerlijk. Ik verheerlijk oorlog net zomin als domesticatie.

Vrijwel iedereen die het oorlogsgebied betreedt, of het nu om verpleegsters gaat, diplomaten, oorlogscorrespondenten, fotografen, militairen, hulpverleners of technici, zal hebben ervaren dat het betreden van het oorlogsgebied lijkt op het openen van de kooi. Opeens staat de deur open. Even lijkt alles mogelijk.

Ja natuurlijk, oorlog is vreselijk, de kooi gaat maar even open en dan weer snel dicht en de wandeling buiten de kooi is strikt gereguleerd, het oorlogsrecht bestaat, misschien niet altijd in praktijk, wel in theorie, maar dat zijn in de context van dit betoog voetnoten.

Zoals het onzin is tegen de leeuw te zeggen: „Foei, wat ben jij een slechte leeuw dat je net een antilope heb opgegeten”, zo is het onzin tegen de mens te zeggen: „Foei, slecht mens dat jij naar oorlog verlangt.”

Uiteraard ben ook ik een moralist, maar er zijn nogal wat onzedelijke vormen van moralisme die erop uit lijken te zijn zelfkennis en kennis van de wereld onmogelijk te maken.

Oorlog wordt gevoerd omdat er verlangen naar oorlog bestaat. Vervolgens worden er redenen bedacht en noodzaken en allerlei geopolitieke belangen worden genoemd, die ik niet volledig van tafel wil vegen, maar die interesseren mij eigenlijk nauwelijks. Die discussies laat ik over aan de heren en dames van de opiniepagina’s die na bestudering van diverse buitenlandse kranten en tijdschriften ook hun duit in het zakje mogen doen.

Een mens wordt niet verliefd omdat hij persoon A of B ziet, hij wordt verliefd omdat hij verlangt naar verliefdheid en bij dat verlangen een object zoekt op wie hij zijn verliefdheid kan richten.

Dat hij zichzelf wellicht een ander verhaal vertelt, is begrijpelijk en naar alle waarschijnlijkheid ook nuttig, maar het is een vorm van fictie en dient als zodanig geboekstaafd te worden. Madame Bovary’s grootste verlangen is het verlangen zelf.

Het is mijn vermoeden dat het verlangen naar oorlog niet zozeer is gegrond in de aangeboren slechtheid van de mens – plichtmatige verwijzingen naar het kwaad vervuilen de discussie – als wel in de behoefte tijdelijk of voor altijd te ontsnappen aan het getemd-zijn.

Ad van Denderen fotografeerde het Nederlandse leger in Afghanistan en op weg naar Afghanistan. Hij fotografeerde ook vrienden en familieleden die niet mee mochten. Oppervlakkige bestudering van zijn foto’s zou kunnen leiden tot de geijkte conclusies: oorlog is niet heldhaftig, het leger is absurd, soldaten zijn veelal lelijk.

Zo wordt oorlog al decennia afgebeeld en toch zijn genoeg mannen (maar ook wat vrouwen) bereid om mee te doen. Zij willen even bekijken hoe heldhaftig en spannend het daar ter plekke is of niet, ze willen het aan den lijve ervaren.

Van Denderens radicaliteit, die in meer of mindere mate in al zijn foto’s te zien is, bestaat uit het zichtbaar maken van de illusie van de geopende kooi.

Zijn militairen hebben wapens en uniformen, maar ze zijn zo gedomesticeerd als de melkboer.

Het meest pijnlijk vond ik de foto’s van Nederlandse burgers die dankzij de omroep MAX kerst- en nieuwjaarsgroeten kunnen inspreken voor vrienden, geliefden en familieleden die op dat moment in Afghanistan zitten.

Kijkend naar die foto’s kon ik alleen maar denken: ja, dat is de kern van onze oorlog in het eerste decennium van het eenentwintigste millennium.

Neem de foto van de twee vrouwen en een meisje in een studio van omroep MAX, alledrie met een kerstmuts op. Er is maar één conclusie mogelijk: Afghanistan of geen Afghanistan, de beschaving heeft gezegevierd. De kooi gaat nooit meer open.

Morgen in NRC Weekblad: de foto’s van Ad van Denderen ‘Vechters en vredestichters’ is tot en met 17 januari te zien in het Fotomuseum in Den Haag. Di-zo 12-18 u.Het boek bij de tentoonstelling: Occupation Soldier, uitgave Paradox NRC Handelsblad 2009. € 24,50.Document Nederland is de jaarlijkse fotografieopdracht van het Rijksmuseum en NRC Handelsblad.