Einde van een uit de hand gelopen tussenspel

Er werd niet gejuicht, niet getreurd en zelfs niet gekankerd. De taaie strijd om het Europese Hervormingsverdrag is na jaren eindelijk voorbij, maar het kan niemand meer veel schelen. De voorstanders hebben gewonnen, maar ook de tegenstanders zijn heimelijk blij dat de uitputtingsslag nu voorbij is.

Waarom lieten ze anders zo weinig van zich horen? Dinsdag zette de laatste dwarsligger, de Tsjechische president Klaus, zijn handtekening onder het nieuwe EU-verdrag, dat daarmee op 1 december in werking kan treden.

Klaus mopperde nog wat over het onvermijdelijke verlies aan soevereiniteit dat het verdrag met zich meebrengt. Maar bijval kreeg hij zelfs niet uit Nederland, waar in 2005 toch meer dan 60 procent van de kiezers Nee had gezegd tegen de eerdere versie van het verdrag die per ongeluk Grondwet was genoemd.

De tegenstanders van destijds waren kennelijk uitgeput, alsnog overtuigd of ondertussen minister van Onderwijs geworden.

Hoe het ook zij, het kreng is erdoor. In Brussel en de hoofdsteden klonk een gedempte zucht van verlichting. Op straat, in de tv-studio’s en zeker ook bij de meeste Europeanen aan tafel heerste gelatenheid, onverschilligheid of berusting. Einde van een uit de hand gelopen tussenspel.

Het is verleidelijk de hele episode maar snel te vergeten. De Europese Unie heeft nu weliswaar de mogelijkheid om effectiever te opereren, maar in historisch perspectief valt het eindeloze gehannes met het verdrag in het niet bij de luttele uren waarin de Berlijnse Muur viel, nu twintig jaar geleden. Dát was een gebeurtenis die het continent werkelijk veranderd heeft en die terecht opnieuw uitgebreid gevierd wordt.

Toch verdient de slepende voorstelling die we de afgelopen jaren in Europa hebben uitgezeten nog wel een recensie. Want hoe hebben de hoofdrolspelers eigenlijk gepresteerd? Die vraag is vooral actueel voor degenen die nu auditie doen voor een hoofdrol in het vólgende stuk op het Europese podium.

Zoals de Nederlandse premier, die een serieuze kanshebber is om door zijn Europese collega’s aangewezen te worden als voorzitter van de Europese Raad. Als dezer dagen in het Kanzleramt, het Elysée en Downing Street zijn cv wordt doorgenomen, zal men zeker even stilstaan bij de smet van 2005, het referendum over de Europese Grondwet.

„Balkenende verloor omdat hij niet voor het verdrag was opgekomen”, schreef de Franse krant Libération vorige week voor wie dat inmiddels vergeten was. Ook Frankrijk stemde Nee, maar dat was nog onder verantwoordelijkheid van Chirac. Zou iemand voor Sarkozy naar een goede vertaling hebben gezocht van ‘Europa, best belangrijk’, de pijnlijke slogan van de mislukte campagne?

Maar of het Nederlandse Nee Balkenende wordt nagedragen door zijn collega’s is nog maar de vraag. Uiteindelijk telt in de politiek het resultaat. En ondanks zijn reputatie van stijfkoppigheid heeft Balkenende een opmerkelijke souplesse getoond, om de aansluiting met Europa na het Nee niet te verliezen.

Onmiddellijk na de uitslag van het referendum paste de premier zijn toon radicaal aan: Europese integratie was voortaan taboe, in Den Haag sprak men nu alleen nog van samenwerking. Vlag, volkslied en andere franje gingen in de ban. Het pro-Europese Nederland werd opeens nogal eurosceptisch. Minder Europa, werd het nieuwe parool.

Maar ondertussen koerste Balkenende aan op goedkeuring van de slechts ietwat bescheidener versie van het oorspronkelijke verdrag. Deze keer voor de zekerheid zonder referendum. En zo kwam het scheepje, met gescheurde zeilen maar op tijd, toch nog in de haven.

Is dat leiderschap? Nauwelijks. Maar je zou het wel als praktische politiek kunnen zien.

Politiek is niet achter meerderheden aanrennen, maar meerderheden tot stand brengen, zei de voormalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer eens. Dat is een stoere opvatting: meerderheden smeden door bezield en onvermoeibaar je overtuiging uit te dragen, ook voor een vijandig publiek.

Maar helaas is dat tot nog toe niet de sterkste kant van onze premier gebleken. Hij opereert op een andere manier, waarmee hij geen grote verschuivingen in de publieke opinie bereikt, maar in het politieke spel soms wel resultaat boekt.

Als Europa wil meetellen in de wereld, hoor je nu veel, dan moeten we iemand hebben „die het verkeer in Peking tot staan kan brengen” – lees: een staatsman als Blair. Een ongelukkige beeldspraak. Iedereen die ooit één spitsuur in de Chinese hoofdstad heeft meegemaakt, weet dat het verkeer daar voortdurend hopeloos vaststaat, of Blair nu op bezoek is, of Balkenende, of een boertje van het platteland.

Heeft Brussel een bezieler nodig? Iemand die de mensen weer warm maakt voor Europa en respect afdwingt in het buitenland? De vraag moet eerder zijn of de nationale leiders, de Sarkozy’s, de Merkels en de Browns, zo iemand wel zullen dulden, als concurrent in de strijd om aandacht van het buitenland en de media. Waarschijnlijk niet, of niet lang.

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel