De spion die in de kou kwam te staan

Na de Koude Oorlog leken thrillerschrijvers op artsen die een kwaal de wereld uit hadden geholpen. Hoe toen verder?

‘We all fought the good fight. I’m sure we can work something out,’ fleemt de volstrekt onbetrouwbare spionagecheffin Crystal Quest met het mes op de keel. Ze probeert met deze woorden de moorddadige woede te sussen van haar ondergeschikte Dante Pippen, die door haar toedoen onder andere is gemarteld, beschoten en levend begraven.

De scène vindt plaats aan het slot van Robert Littells Legends, een formidabele spionageroman uit 2005. Littell legt Quest exact het dilemma in de mond waarmee hij als kind van de Koude Oorlog zelf moet hebben gezeten toen de Berlijnse Muur viel en daarmee de weldadige bron van spionageverhalen in een klap opdroogde: de strijd is gestreden, we hebben gewonnen.

En nu moeten we verder.

Littell behoorde tot het leger van tientallen, zo niet honderden auteurs die zich aan de bron van de Koude Oorlog hadden gelaafd. Spionnen en ex-spionnen zoals Graham Greene, John Le Carré, Ian Fleming en Robert Littell waren geloofwaardig als verslaggevers in de intellectuele loopgravenoorlog omdat ze als voormalige medewerkers van diverse soorten inlichtingendiensten allemaal kennis van zaken hadden.

Het Komitet Gosoedarstvennoj Bezopasnosti, beter bekend onder de afkorting KGB, was het grote duistere geheim waarvan ze kennis droegen en waarover ze op een of andere manier allemaal schreven. Logischerwijze waren ze dan ook allemaal afkomstig uit de VS en Groot-Brittannië, landen met net zulke geheimzinnige organisaties. Met boeken als The Spy Who Came in From the Cold, Our Man in Havana en The Defection of AJ Lewinter hadden ze bijgedragen aan de beeldvorming op basis waarvan vrije burgers zich decennialang een mening vormden en politici besluiten namen. Maar na de Wende stonden ze erbij als artsen die een kwaal de wereld uit hebben geholpen: werkloos, ontdaan van de noodzaak van hun schrijverschap. Toen het spionagegenre implodeerde, had John Le Carré – vrijwel onweersproken gezien als de grootste spionageschrijver van zijn tijd – hetzelfde probleem als al zijn collega’s: Spy-fi na de Wende? Hoe dan? Le Carré had de spy-fi net niet eigenhandig uitgevonden, maar hij was wel degene geweest die het genre losmaakte uit de simplistische zwartwitschema’s van de James Bond-romans. Bij Le Carré (pseudoniem van diplomaat annex spion David Cornwell) geen spierballen en geen good guy-bad guy propaganda, maar complexe geschiedenissen vol list en bedrog. Anti-held en hoorndrager George Smiley was in alles het tegenovergestelde van rokkenjager James Bond – een ietwat melancholieke bureaucraat die overtuigde met kracht van argumenten en misleidde met kennis van zaken. Geen knokker, maar een schaker. Le Carré maakte van de spy-fi-literatuur. Zijn stijl was verzorgd, al ontkwam hij niet altijd aan wijdlopigheid, zijn humor was subtiel en zijn dialogen waren puntig. Velen, onder wie de Zweedse veelschrijver Henning Mankell, gaan ervan uit dat Le Carré de Nobelprijs ooit zal winnen.

Vanaf The Spy Who Came in from the Cold (1963) bestreed Le Carré het idee dat ‘onze’ spionnen en veiligheidsdiensten de westerse waarden verdedigden. Ze moordden en bedrogen, lokten anderen in de val en offerden zelfs ‘goede’ mensen op om ‘slechte’ te sparen als dat in het belang van ‘de zaak’ was. Le Carré liet zien dat gewetensvragen secundair waren. Alleen lijfsbehoud gaf de doorslag: ‘It was a foul, foul operation. But it’s paid off, and that’s the only rule’, concludeert Smiley als hij de schurkachtige ex-nazi die hij als dubbelspion runt aan het slot van The Spy heeft kunnen sparen ten koste van een integere Joodse medewerker. Schuldgevoel is voor later.

Ethiek

Na dertien romans, waarvan acht met Smiley in de hoofd- of bijrol, viel de Muur en zat Le Carré met de vraag hoe hij zijn schrijverschap aan de nieuwe wereldorde kon aanpassen. Actualiteit is feitelijk een vereiste in de thrillerwereld, maar wat wás de actualiteit in de post-Wende-tijd en viel die in te passen in zijn werkwijze?

Le Carrés schrijversloopbaan was eenduidig geweest, maar midden jaren tachtig had hij zich gewaagd aan een semi-autobiografisch experiment. In de roman A Perfect Spy (1986) zadelde hij hoofdpersoon Magnus Pym op met een vader zoals hij die zelf had gehad: een oplichter. Le Carrés jeugd was moederloos verlopen en het vaak door gevangenschap onderbroken gezelschap van zijn vader had hem al heel vroeg gedwongen tot het definiëren van en volharden in een eigen ethiek. Met een schitterende metafoor liet hij Pym het verband leggen tussen zijn jeugd en de Koude Oorlog: ‘Vienna was a divided city, like Berlin or your father’.

Toen de Wende hem verplichtte tot ‘herbronnen’ kon hij de Koude Oorlog opofferen, maar zijn instelling handhaven: die van een betrokkene die met behulp van een vlijmscherpe moraal probeert objectief te blijven. Met het communisme was het bedrog immers nog niet uit de wereld verdwenen. Le Carré verving derhalve de professionele spionnen door amateurs en draaide de camera van onrecht veroorzaakt door overheden naar onrecht veroorzaakt door het bedrijfsleven. Die literaire doorstart nam overigens wel de hele jaren negentig in beslag. In die periode keerde Le Carré nogmaals terug naar zowel het zwendelthema als de vader-zoonrelatie In Single & Single (1999). Met The Tailor of Panama leverde hij bovendien een van de succesvolste romans uit zijn oeuvre af, maar dan wel een die eerder verband leek te houden met de Koude Oorlog – hij ontleende het idee ervoor nota bene aan Graham Greenes Havana-roman – dan met de nieuwe wereldorde.

Pas in het nieuwe millennium was Le Carrés transformatie compleet. Vanaf dat moment richt hij zich op het neo-liberale bedrijfsleven. In The Constant Gardener (2001) weeft hij een plot waarin een Britse diplomaat na de moord op zijn vrouw duistere connecties ontdekt tussen een ngo, de farmaceutische industrie en corrupte politici. De diplomaat in kwestie heeft heel wat spionagevaardigheden nodig om de onderste steen boven te krijgen. En daarmee is The Constant Gardener welbeschouwd ook een spionageroman over falende overheden en schurken, over corruptie en zuiverheid. The Mission Song (2006) is een vergelijkbaar hoogtepunt in Le Carrés oeuvre: een aanklacht tegen een syndicaat dat – mede dankzij laks overheidsoptreden – interne conflicten in Rwanda manipuleert om de minerale schatten van het land te kunnen roven.

Le Carrés Amerikaanse tegenvoeter Robert Littell stond na de Wende voor hetzelfde probleem. Ook zijn werk ging al vanaf zijn debuut The Defection of AJ Lewinter (1973) over geheime diensten en overlopers en bestond dus bij de gratie van de spanning tussen Oost en West. Maar anders dan Le Carré wist Littell zijn carrière geen nieuwe wending te geven, wat in 2005 leidde tot dat toch nogal wanhopig klinkende ‘I’m sure we can work something out.’ Littell had tot aan de Wende een vergelijkbare positie ten opzichte van de Koude Oorlog als Le Carré. Ook hij speelde het corrupte spel van de geheime diensten met grote subtiliteit. Ook hij maakt zich geen illusies over ontzag voor democratische waarden, burgerrechten of fair play. Ook hij portretteerde emotieloos schakende geheime diensten voor wie een spion gelijk staat aan een pion.

Kafka

Hoewel Lewinter tot dezelfde grimmige conclusies leidt als The Spy is het ook bijna humoristisch absurd, min of meer zoals Alice’s Wonderland zich verhoudt tot de wereld van Kafka. Na het overlopen van de Amerikaanse raketgeleerde A.J. Lewinter vragen veiligheidsdiensten aan weerszijden van het IJzeren Gordijn zich af wat Lewinter te bieden heeft. En dat leidt dat tot een paradoxale, totaal verknipte denkwijze aan Amerikaanse zijde. Als de VS Lewinter afdoen als onbelangrijk, zullen de Russen begrijpen dat ze hem serieus moeten nemen; proberen ze hem te vermoorden, dan moeten de Russen het tegenovergestelde concluderen. En zo gebeurt het.

De Wende veranderde niets aan Littells onderwerpskeuze, maar verhelderde die wel. Voor Littell – niet toevallig al veertig jaar woonachtig in Frankrijk – was achteraf beschouwd de CIA nog net iets meer zijn thema dan de Koude Oorlog. Over die dienst publiceerde hij dan ook in 2002 zijn magnum opus The Company (vertaald als De machtsfabriek). In ruim 900 pagina’s die de hele tweede helft van de 20ste eeuw beslaan vertelt hij de geschiedenis van het instituut, zijn bestuurders en medewerkers aan de hand van zowel waar gebeurde als fictieve personages en gebeurtenissen.

De eer van de overwinning gunde hij de CIA overigens niet, want de Sovjet-Unie was gesneuveld doordat ze ‘een metafoor was van een idee dat er op de tekentafels misschien goed uitzag, maar in de praktijk fundamentele fouten vertoonde’. Na de Wende heeft de ‘machtsfabriek’ Jeltsin ertoe aangezet de huidige Russische kleptocratie te laten ontstaan. Zodoende probeert ze – aldus de centrale these van Legends (Littells geweldige roman uit 2005) – de economie van de VS te beschermen door die van Rusland te vernietigen.