De doodsstrijd van de grote villa's

Armando schreef drie boeken over Berlijn. Nooteboom kwam in 1990 met zijn ‘Berlijnse notities’. Hun werk is nu terecht herdrukt.

Armando: Berlijn. Augustus, 286 blz. € 20,–

Cees Nooteboom: Berlijn. 1989-2009. De Bezige Bij, 413 blz. € 23,90

We gaan naar de dierentuin. Bij een omzwerving door het oosten van Berlijn in december 1989 belandt Cees Nooteboom in de Zoo: ‘Te veel mensen deze week, nu wil ik dieren.’ Ondanks de Wende zijn de dieren slecht gehumeurd: ‘De pinguïns beraden zich over de gebeurtenissen van de mensen, in het roofdierenhuis zijn de leeuwen in opstand, ze brullen en klauwen, het hele gebouw schudt ervan’. Aan het begin van datzelfde decennium bezoekt Armando de Berliner Zoo. De vissen in het westen zien er ontevreden uit, maar de bezoekers lijkt dat niet te deren: ‘Ze werpen een korte blik op een of ander beest, zeggen „die sieht ja toll aus” en slenteren verder.’ De apen hebben veel bekijks, van vrouwen. Die laten een gorilla de inhoud van hun tasje zien: ‘kijk, een pakje sigaretten, een lippenstift, zie je wel, een zakdoekje, kijk maar.’ De vrouwen zijn er de hele dag, legt een oppasser uit. ‘Heeft u ze zien wuiven naar de panda’s? Zo stonden ze vroeger te wuiven naar Hitler.’

Ter gelegenheid de 20ste verjaardag van de Wende zijn de oude werken van Nooteboom en Armando herdrukt, allebei onder de voor de hand liggende titel Berlijn. Armando woonde er vanaf 1979 zo’n twintig jaar en schreef drie boeken over de stad: Uit Berlijn (1982), Machthebbers (1983) en Krijgsgewoel (1986). Nooteboom verbleef anderhalf jaar in de stad, maar viel met zijn neus in de boter: hij arriveerde in maart 1989, acht maanden voor de val van de Muur. Nooteboom schreef er Berlijnse notities (1990) over, het boek dat zijn naam in Duitsland vestigde en dat nu is uitgebreid met wat hij later over de stad schreef.

Inmiddels is iedereen verliefd op Berlijn, maar deze twee boeken beschrijven een stad waar iedereen op zijn best dubbelhartig tegenover staat. Armando kenschetst zijn werk als Feindbeobachtung: ‘Ik heb mij immers in Berlijn tot taak gesteld om „de vijand” te bestuderen, gade te slaan’. Dat doet hij empathisch en menselijk, maar de pijnlijke apotheose van het dierentuinfragment hierboven is typerend: altijd komt de oorlog naar voren.

Een moeizame ontmoeting tussen een oude en een zwarte Duitser in de metro eindigt ermee dat de eerste de arm strekt en de Duitse groet brengt (de Hitlergroet, maar zonder Heil Hitler te zeggen). Armando laat zich uitleggen hoe datgene wat nu een racistische provocatie is, in de nazitijd een voorzichtige verzetsdaad was.

Voor de man die het ‘schuldig landschap’ tot zijn artistieke epicentrum maakte is het niet verwonderlijk dat zijn gedachten zich steeds weer op hetzelfde stuk verleden richten. Dat heeft iets voorspelbaars, maar ergerlijk wordt het niet omdat Armando steeds goed blijft kijken, gefascineerd door het verleden. ‘Soms ben ik benieuwd hoe het allemaal afloopt’, schrijft hij ergens, ‘maar meestal niet’.

In 1989 kijkt Armando verlekkerd naar ‘de doodsstrijd van de grote villa’s’ aan de Oostzee. Maar dat staat niet in zijn eigen boek, maar bij Nooteboom. Diens Berlijn is een verbinding tussen de gedeelde stad van Armando (al speelt die deling bij hem geen dominante rol) en wat nu de hipste stad van Europa is, al blijkt ook Nooteboom aanvankelijk verre van euforisch over de stad. Ook de reacties op de omwenteling die hij schetst zijn vaak verrassend kalm. Hij tekent op hoe zijn vrienden voorspellen dat de ‘West-Duitse belastingbetaler niet de minste belangstellig heeft om ook maar één cent aan zijn afgescheurde broeders uit te geven.’ Dat zou een misrekening blijken.

De kalmte die Nooteboom beschrijft is natuurlijk ook de kalmte van de schrijver zelf. In de ‘kermis’ op de Kurfürstendamm klinkt hij niet echt enthousiast: ‘Auto’s kunnen er niet meer rijden, de stad is aan de waanzin vervallen, het volk is één tollend lichaam geworden, een dier met duizenden hoofden, het golft, kabbelt, stroomt door de stad, weet niet meer of het beweegt of bewogen wordt, en ik stroom mee, ben zelf nu menigte geworden, beeld uit het journaal, niemand.’ Op straat kan hij niet de buitenstaander zijn die de schrijver graag wil zijn. Nooteboom kijkt veel televisie. Met een zekere schroom bekend hij verslaafd te zijn geraakt aan de politieke soap die vanuit de Fernsehturm over de hele stad wordt verspreid.

Die schroom maakt toch voor een groot deel de kracht van de Berlijnse notities van Nooteboom uit: hij blijft klein kijken. ‘Valt het tegen? Had ik het dramatischer gewild?’ vraagt hij zich bij zijn eerste grensovergang af en het is die relativerende toon die maakt dat je hem graag volgt. Je wordt beloond met een lange reeks mooie observaties, waarvan sommige – zoals een passage over zelfmoordterroristen – uit de 21ste eeuw lijken te komen.

Dat Nooteboom veel meer schrijver dan journalist is, blijkt ook uit de scènes die meer met onveranderlijkheid dan met omwenteling te maken hebben. Op een mistroostige avond in een hotel ziet hij het voorspel tot het overspel van twee dronken Duitsers. De man probeert te kussen, maar zijn lippen eindigen in haar nek, bij haar blonde vlecht. Dat lijkt het vuur te doven, waarna Nooteboom het tafereel samenvat met de mooie zin: ‘Ze heeft zin in Heinz, maar er zijn grenzen.’

Je zou daar met een beetje goede wil ook het onwennige samenzijn van de twee Duitslanden in 1989 in kunnen zien. Men wil de roes wel in, maar vreest de ontnuchtering. Zo gezien klopt ook het slot van de caféscène: ‘De grote bruine hand van Heinz dwaalt in de richting van Hannelores essentie. Hoho, zegt de gouden wrong, maar een innerlijk kompas draait haar naar de gewenste richting.’