De dag die alles veranderde

De Duitse schrijver Ingo Schulze (1962), die in de jaren negentig internationaal doorbrak met de Wende-roman Simple Storys – was erbij, op die allesbepalende demonstratie op negen oktober 1989 in Leipzig. ‘We waren bang, maar ook euforisch’.

Negen oktober 1989 – de dag die alles veranderde. Vaak word ik ietwat vergoelijkend gecorrigeerd: ‘U bedoelt natuurlijk 9 november.’

‘Nee de beslissende dag was 9 oktober.’ ‘Hoezo, de Muur is toch op 9 november gevallen?’ ‘Jawel, dankzij de 9de oktober!’

Die 9de oktober was een maandag, de eerste maandag na 7 oktober, de dag van het 40-jarig bestaan van de DDR. Van week tot week waren de demonstraties aangezwollen die iedere maandag op het ‘vredesgebed’ in de Leipziger Nicolaï-kerk volgden. De afgelopen maandag waren er al 30.000 demonstranten geweest.

Ik was bang, maar ook euforisch. In de voorafgaande week had er in Dresden een regelrechte veldslag gewoed tussen geüniformeerden en demonstranten, toen de trein met de ambassadevluchtelingen uit Praag werd verwacht. In het afgelopen weekend waren de geüniformeerden ook in Berlijn, Leipzig en andere steden hardhandig opgetreden tegen demonstranten en passanten. Hoe gewelddadig, ja ronduit sadistisch die zogenaamde ‘ordebewaarders’ vaak te keer waren gegaan, wisten we op dat ogenblik nog niet.

Desondanks was er in feite maar één keus. Het was nu of nooit, dat besefte iedereen. Ik zou mezelf voor mijn vrienden ongeloofwaardig hebben gemaakt als ik nu niet thuis had gegeven. Want ook daarom waren we toch in de DDR gebleven – om er iets te veranderen.

Voordat mijn vriendin en ik vroeg in de middag in de auto stapten om naar Leipzig te gaan, vulden we de koelkast bij voor haar dertienjarige dochter: in de supermarkt was wonderbaarlijk genoeg het aanbod bij uitzondering rijker en gevarieerder dan normaal. Wat een misverstand! Alsof het ons daarom te doen was!

We gaven dochterlief een envelop met geld en een voorraadje 20-pfennigmuntjes en schreven het telefoonnummer van een vriendin voor haar op, voor het geval we de volgende ochtend nog niet terug zouden zijn. Maar de angst was vele malen kleiner dan – het woord is niet overdreven – de euforie.

In Polen bepaalde de Solidarnosc-regering al grotendeels het reilen en zeilen van het land, de Hongaren hadden op 10 september de grens met Oostenrijk opengegooid, in de DDR was een dag later het Nieuwe Forum (‘Neues Forum’) , een oppositionele groepering opgericht. De leuze ‘Wij willen weg!’ was sinds eind september veranderd in ‘Wij blijven hier!’ Sinds maandag was dit geëvolueerd tot ‘Wij zijn het Volk!’

Omdat we vreesden dat de stad zou worden afgesloten, vertrokken we vroeger dan anders naar Leipzig. Tussen Borna en Espenhain werden we door de politie tegengehouden. Nadat ze het licht en de richtingaanwijzers hadden gecontroleerd, mochten we verder.

Voor de Nicolaï-kerk was tegen vieren een grote menigte op de been. We wisten niet dat honderden SED-Genossen (Sozialistische Einheitspartei Deutschland) naar de kerk gedirigeerd waren om de stoelen te bezetten.

Wij gingen naar de Evangelisch-Gereformeerde Kerk, die direct aan de ring ligt en die eveneens tot op de laatste plaats bezet was. Daar werd informatie verstrekt over de arrestaties van de afgelopen dagen. In de steegjes en straatjes van de binnenstad krioelde het van de mensen.

Als de banden van de twee registratiecamera’s op het postkantoor aan het Karl-Marx-plein niet waren gewist, had je daarop precies kunnen zien hoe de demonstratie tot stand kwam. Iedereen die zojuist nog schijnbaar toevallig op het plein was en van wie je zou denken dat hij of zij boodschappen ging doen of van het werk kwam, bleek demonstrant.

Bij welke stap je nog passant was, bij welke al demonstrant, was niet te bepalen. We slenterden onder de ogen van de beide camera’s in de richting van de Georgiring, de brede straat voor het postkantoor en verbaasden ons dat er niets gebeurde.

Even voordat we de straat bereikten, herkende ik een voormalige medestudente – jij hier? Terwijl we over kennissen roddelden, bereikten we de Georgiring. Bij de stoplichten bleven we wachten tot het voetgangerslicht op groen sprong.

Steeds als ik in gesprekken die situatie ter sprake breng, wordt daar lacherig of zelfs bestraffend op gereageerd. Alsof ik door zulke details de demonstratie zou willen ridiculiseren of zelfs openlijk afvallen. Maar waarom je angst niet met wat geroddel uit je ziel verdrijven? Het alledaagse en het buitengewone wonen niet in gescheiden werelden.

De volgende auto’s die voor het stoplicht moesten wachten, liepen hopeloos vast in de demonstratie. De straat was van ons! Mijn gespannenheid hielp mij om mee te doen met de spreekkoren. Nog steeds had ik moeite om luidkeels leuzen te schreeuwen. Want dat collectieve geschreeuw maakte deel uit van de andere wereld, de wereld die je verachtte. Maar het meedoen verdreef de angst en zorgde voor solidariteit: ‘Het Nieuwe Forum toelaten!’, ‘Vrije verkiezingen!’,‘Wij blijven hier!’, ‘Geen geweld!’ en steeds weer ‘Wij zijn het Volk!’

Waar waren de geüniformeerden? Het leek wel alsof de Sicherheitskräfte zich in lucht hadden opgelost. Ik kan me maar één politieman voor de geest halen. Hij stond wijdbeens, links aan de rand van de straat en staarde in het niets.

Toen we ons omdraaiden, zag de hele Georgiring zwart van de mensen. We jubelden. Wie zou die massa tegen kunnen houden? Dat we met zovelen waren – zeventigduizend – en dat er geen nuttige idioot tussen liep die een steen gooide, was onze triomf. Tegen deze menigte was alleen met wapengeweld wat te beginnen. Maar dat er hier echt schoten gelost zouden worden kon ik me niet voorstellen.

Even na 18.30 uur gaf de eerste secretaris van de SED-districtsleiding het bevel om ‘de demonstranten te laten lopen’ en zelf aan de zijlijn te blijven. De demonstratie verliep niet alleen vreedzaam, maar werd per minuut vrolijker. We staken de draak met ons zelf: we demonstreren na gedane arbeid en gaan de volgende ochtend weer stipt op tijd naar het werk!

We waren zowaar in de stemming om de Internationale te zingen, ook al kende vrijwel niemand meer dan het eerste couplet. Hoe toepasselijk leek mij merkwaardig genoeg opeens het refrein: Völker hört die Signale!/ auf zum letzten Gefecht!/ Die Internationale / erkämpft das Menschenrecht! (‘Makkers, ten laatste male / tot den strijd ons geschaard / en de Internationale / zal morgen heersen op aard’). Wíj waren de Internationale, we voelden ons verbonden met de Polen, Tsjecho-Slowaken, Hongaren, Roemenen, Russen, Chinezen, Chilenen, Zuid-Afrikanen.

Bekijk je de foto’s van deze vroege demonstraties in Leipzig, dan valt meteen op dat er ruimte tussen de mensen zit. Hier werd niet in aaneengesloten cohorten gemarcheerd. We liepen niet gearmd en droegen geen kaarsjes. De weinige spandoeken werden aan korte staken boven de hoofden doorgegeven, zodat er duizenden vingerafdrukken op teruggevonden hadden kunnen worden. – ‘Visavrij tot Shanghai!’ Je liep met een paar goede vrienden op een nog warme herfstavond door de stad en je was blij dat er ook anderen waren zonder wie je niet de straat op had gedurfd. Voor het eerst werd ik me bewust wat men tweehonderd jaar geleden onder fraternité had verstaan.

Daar het vooral de jongeren waren die gingen demonstreren, werden de ouderen als iconen behandeld. Twee vrouwen van dik in de zeventig die meeliepen, werden steeds weer aangesproken en op applaus onthaald. Aan hen kon zelfs de laatste geüniformeerde zien dat het hier geen ‘samenscholing van rowdies’ betrof.

We trokken langs het hoofdstation, de deuren waren gesloten. Wie met de trein aankwam mocht de stad niet in. De trams die bij de tramhaltes stonden, openden hun deuren – ‘Sluit je aan!’ We liepen onder de voetgangersbruggen naar het uitgestorven Friedrich Engels-plein. Even verderop bleven we staan. Voor de zogenaamde ‘ronde hoek’, het gebouw van de staatsveiligheidsdienst, zagen we geüniformeerden met schilden en helmen. Dat was ook de verrassing van de afgelopen twee weken geweest, dat ‘die van ons’ er net zo uitzagen als de oproerpolitie in het Westen. Ongeveer vijftig met schilden bewapende politiemannen hadden zich voor de ingang geposteerd. Wat ging er om in de hoofden van de jonge kerels die daar opgetrommeld waren en ‘wij-zijn-het-volk’ voorbij hadden zien komen? Hadden ze zelf hun angst verloren, nadat een rij demonstranten met de rug voor hen was gaan staan? Op de traptreden voor de ingang werden kaarsjes aangestoken. De ‘ronde hoek’ was gedeeltelijk ook een gevangenis waarin nog mensen achter de tralies zaten die in de afgelopen dagen en weken gearresteerd waren.

Niet ver van het Nieuwe Raadhuis was een vrachtwagen aan de kant van de weg blijven staan. De demonstranten discussieerden met de geüniformeerden die daar bovenin zaten en sigaretten aangereikt kregen. ‘Jullie zijn geen rowdies!’ zeiden de mannen op de wagen.

De ringweg bepaalde de route door de stad. Dus verder maar naar het concertgebouw, het Gewandhaus. Nadat we de hele ring hadden afgelopen kwamen we weer uit op het Karl Marx-plein. Dit ene uur had ons veranderd. We waren vrijer en vrolijker geworden en vastberadener dan ooit. Maar niet alleen wij waren veranderd. De stad, het hele land had in het afgelopen uur een metamorfose doorgemaakt. Onze blijdschap, de opluchting, ons gejubel zou de bazuinen van Jericho wel eens hebben kunnen overtreffen. Alles zou anders worden, alle muren zouden vallen – visavrij tot Shanghai – en de droom van de Praagse Lente ’68 zou in vervulling gaan: een socialisme met een menselijk gezicht.

Vertaling Ard Posthuma. Ingo Schulze’s jongste roman ‘Adam und Evelyn’, ook vertaald door Posthuma, verscheen bij Meulenhoff € 19,89.

Lees een interview met Schulze en recensies van zijn werk op nrcboeken.nl