Alsof het lichaam zich opent

Op het festival Balkan Revolutia!, morgen in de Melkweg, staat de bloeiende ‘Balkanscene’ centraal. Door toeval belandden de deejays OMFO en Moskow Diskow allebei in Amsterdam. In eerste instantie trok de westerse muziek. Maar: „Mijn belangstelling voor de muziek uit mijn eigen regio groeide toen ik er weg was.”

Een westerse elpee, dat was een kostbare schat. Veertig roebel kostte in de jaren tachtig een plaat van bijvoorbeeld The Beatles – een half maandloon voor de meesten in de toenmalige Sovjet-Unie. Een spijkerbroek kostte een heel maandloon, of meer, zegt German Popov, muzikant en dj uit Odessa, bekend onder de artiestennaam OMFO.

Toch was er een levendige zwarte handel in beide, vertelt Maxim Chapochnikov, ook wel Moskow Diskow genaamd, die in dezelfde periode in Moskou woonde. Hij werkte daar toen al als dj, en had bij shows een officiële speellijst, en een lijst met verboden nummers. „Ik ken mensen die vijf jaar in de gevangenis hebben gezeten, omdat ze zich met westerse muziek bezighielden. Soms vraag ik mij wel eens af: als het Sovjet-regime westerse muziek niet had verboden, was de aantrekkingskracht dan net zo groot geweest?” Popov: „Westerse muziek was een verboden vrucht, aantrekkelijk, glamoureus.”

Stiekem luisterden ze naar buitenlandse radiozenders op de korte golf. „Alle Amerikaanse zenders werden verstoord, maar we luisterden toch, zo goed en zo kwaad als het ging.” Leeftijdsgenoten reden soms driehonderd kilometer om vlakbij de Finse grens Finse radio te kunnen ontvangen.

Ondanks de beperkingen is Chapochnikov voor zijn gevoel met westerse muziek grootgebracht. „Dankzij mijn vader, die liet mij dingen horen. Op mijn achtste leerde ik The Beatles kennen, op mijn tiende hoorde ik Deed Purple.” Hoewel hij geen hekel had aan volksmuziek uit de regio, was westerse muziek een openbaring. „Revolver, dat was een deur naar een andere wereld. Ik was, ik weet het niet, enlightend. Het was een religieuze ervaring.”

Het Westen trok, en ze gingen allebei, Chapochnikov in 1987, ten tijde van Gorbatsjovs perestrojka, Popov later, in 1990, nadat de Koude Oorlog was beëindigd en het IJzeren Gordijn opgetrokken. Door toeval belandden ze allebei in Amsterdam. Popov: „Ik heb niet bewust voor Amsterdam gekozen, maar ik wist wel een paar goede dingen over de stad. Dat je er marihuana mocht roken. En dat de politie er aardig was.”

Morgen treden ze, samen met nog een zestal andere acts uit de Balkan en de voormalige Sovjet-Unie, op het festival Balkan Revolutia! in de Melkweg, waar de bloeiende ‘Balkanscene’, die de afgelopen twintig jaar in Amsterdam is ontstaan, centraal staat.

Initiator Stan Rijven leerde die scene als muziekjournalist bij onder meer Trouw begin jaren negentig kennen. „In die tijd kwam je op het Koningsplein Russische straatmuzikanten tegen, die topmusici waren in hun eigen land. Amsterdam is klein, dus veel van hen kenden elkaar, ze werkten samen, ook met Nederlandse muzikanten. Er waren zogenaamde ‘Wodka parties’ in Akhnaton. Daar hoorde je om je heen uitsluitend Slavische talen. Fantastisch was dat, alsof je op de markt in Moskou stond, of in Sofia.”

Deze week wordt de Wende herdacht, met uiteraard veel aandacht voor Duitse muziek en cultuur. „Maar er is na de val van de Muur ook veel veranderd voor de Balkan. Onwaarschijnlijk veel muzikanten zijn destijds van Oost naar West gekomen, en ze komen nog steeds. Daar wilde ik met het festival aandacht voor vragen.”

Rijven programmeerde, samen met mede-organisator Sonja Heimann, dan ook Balkanmuziek in de breedste zin, uitgebreid met muziek uit de voormalig Sovjet-Unie, en Centraal-Aziatische landen. Ook loopt het aanbod van ultramodern en elektronisch, zoals het werk van OMFO en Moskow Diskow, via het Nederlands koor Slavuj, dat Slavische liederen zingt, tot de authentieke zigeunerklanken van de Roemeense cimbalist Vasile Nedea, en alles daartussen. Rijven: „Oost-Europese muziek is meer dan Balkan Beats en dj Shantel, die de afgelopen jaren hier heel bekend zijn geworden. Bovendien sluit het programma zo aan bij de revue-achtige shows die de artiesten destijds zelf hier organiseerden. Dan traden voor de pauze traditionele Mongoolse keelzangers op, en was het na de pauze beuken met Russische techno.”

Is er een gemene deler te vinden in al die muziek uit het oosten van Europa, en verder? Ivo Boswijk, de dirigent van Slavuj, vindt van wel. „Voor mij is dat bezieling. Er zit veel meer emotie in de muziek. Je ziet daar toeschouwers huilen bij een mooi optreden – al speelt drank daarbij natuurlijk een rol. Maar emotie, dat is het vooral. Wij lijken die in onze muziekbenadering te hebben uitgebannen; die is veel cerebraler. Bij hen zit de emotie al in het gebruik van sommige instrumenten, zoals klarinet, en viool, of accordeon; die hebben een melancholieke onderstemming. Maar het zit ook in de techniek van het zingen zelf. Dat vindt bij ons ‘hoog’ plaats, voor in de mond, met gebruik van de kopstem, terwijl het daar veel meer vanuit de buik gebeurt, alsof het lichaam zich opent en de emotie eruit laat.”

Cimbalist Vasile Nedea vermoedt dat die hevige emoties, die grote muzikale overgave, mede het gevolg is van onzekerder leefomstandigheden. „Er zit verdriet in de muziek, omdat er veel leed is, en armoede. In het Westen heb je goede gezondheidszorg; wij hebben muziek als medicijn. En als er wordt gefeest, dan feesten we alsof de morgen niet bestaat.”

Nadat hun honger naar westerse muziek in Amsterdam enigszins gestild was, keerden Popov en Chapochnikov naar hun muzikale oorsprong terug. Chapochnikov: „Het is heel typisch, hoe dat gebeurt. Ik werd door veel mensen hier als ‘de Rus’ gezien; ze stelden me er vragen over, wilden van alles weten. Van de weeromstuit ga je dan zelf ook denken: wat is dat, mijn Rus-zijn? Wat definieert mij?”

Sinds 2005 vormt Chapochnikov met dj Dima Solomkine het duo Moskow Diskow, waarmee hij Russische en Slavische clubavonden in Amsterdamse clubs en bars als de Sugar Factory, Panama, de Flex Bar en Bitterzoet organiseert. Hij draait er knallende, dansbare beats, gelardeerd met samples van traditionele Slavische volksmuziek, die repetitief worden afgespeeld, in een soort loop. Vaak is er ook nog live-begeleiding van gastmuzikanten.

German Popov alias OMFO verdiepte zich gedurende zijn muzikale carrière steeds meer in volksmuziek uit de Karpaten, Azerbajdzjan en Kazachstan. Hij ‘vertaalt’ die veelzijdige, uitwaaierende melodieën elektronisch, waardoor een uniek geluid ontstaat dat tegelijk folkloristisch en futuristisch is. Live laat hij zijn composities tegenwoordig steeds vaker uitvoeren door muzikanten uit dezelfde regio, die traditionele instrumenten bespelen als theremin, tar, nej en Oekraïense mondharp.

„Odessa is een smeltkroes van culturelen; Grieks, Russisch, Joods, Indiaas, Turks, Aziatisch. In mij bestond dus wel een soort blauwdruk van oosterse en oriëntaalse muziek. Maar ik was geobsedeerd door het Westen. Mijn belangstelling voor muziek uit mijn eigen regio groeide weer toen ik er weg was. We hebben daarover zelfs een spreekwoord. Het laat zich ongeveer zo vertalen: ‘Vanuit de verte heb je beter zicht op het grote geheel’.”

De muzikanten zijn inmiddels wel een beetje uitgekeken op de westerse popmuziek – zeker op datgene dat vandaag de dag wordt gemaakt. Koordirigent Boswijk: „Alles is commercieel, gladgestreken, overgeproduceerd, er zit geen vals nootje meer in; het is levenloos.” Popov: „Om nog maar te zwijgen van de Nederlandse popmuziek – afschuwelijk.”

Nee, het aantrekkelijke aan de Nederlandse muziekscene, als er al zoiets bestaat, vinden ze de openheid. Boswijk: „In welk land ter wereld bestaat er zoveel interesse voor andere muziek: Afrikaans, Latijns-Amerikaans, Slavisch? Ik zie een Bulgaars koor echt geen Russische liederen zingen. Die openheid is kenmerkend voor Nederland, als voormalige zeevaardersnatie.” Chapochnikov: „Alles en iedereen is hier; contacten en informatie zijn makkelijk te verkrijgen. En je kunt hier je droom realiseren. Want wat het ook is, er is altijd wel iemand geïnteresseerd.”

Cimbalist Vasile Nedea vergelijkt Amsterdam zelfs met het negentiende-eeuwse Parijs; het aanbod aan cultuur is volgens hem even uitgebreid, de kwaliteit net zo hoog. Zelf wilde Nedea graag naar het Westen komen om zijn cultureel erfgoed, de traditionele Romamuziek, hier te promoten. „Ik wil laten zien welke muzikale rijkdom er schuilt achter het IJzeren Gordijn.”

Ook kon hij aan Roemeense conservatoria geen cimbalon studeren, dus kwam hij tien jaar geleden naar Amsterdam. Begonnen als straatmuzikant op de accordeon, werd Nedea voor een project ‘geadopteerd’ door het Nederlands Blazers Ensemble, en heeft hij inmiddels zelfs in het Concertgebouw gestaan. Hij voelt zich bevoorrecht. „Het leven hier is gemakkelijk. Alles gaat vlekkeloos en snel, snel, snel. Maar het heeft ook een bepaalde oppervlakkigheid; de muziek hier raakt me minder. Ik weet niet wat het is, maar als ik een zigeunerviool hoort, voel ik een vlinder in mijn buik. Ik kan dat niet uitleggen.”

Balkan Revolutia!, 7/11 vanaf 19u in de Melkweg, Amsterdam. Inl: www.melkweg.nl