Achterom vooruitkijken in Nederland

‘Even waren wij wie we moesten zijn, misschien, zo leek het toch – een grijpbare verte, een wak in de tijd, de inlossing van onszelf. Even, heel even, was heel de stad de wereld.

En de wereld een schaal, een schelp, een schoot.

En wij, ja, wij waren gelukkig, die nacht, ingelukkig.

Dat denk ik toch.’

Die gelukkige nacht, waarmee Marc Reugebrink Het grote uitstel (2007) afsluit, is de nacht van 9 op 10 november 1989. De val van de Berlijnse Muur vormt hier de literaire apotheose van een sterke roman over de verwarring van een Groningse student van de punkgeneratie, en tevens de apotheose van een tijdperk.

De literaire verwerking van historische wendingen is altijd méér dan verslaglegging en kan, als het goed is, ook méér zijn dan de gestolde ervaring van de mensen die er getuige van waren.

De Nederlandse literatuur is zelden pretentieus als zij zich maakt tot spiegel van een tijdperk. Toch heeft het einde van de Koude Oorlog diepe sporen getrokken in een aantal grote romans.

In Cees Nootebooms Allerzielen (1998) staat hoofdpersoon Arthur Daan zes jaar na de val van de Muur bij de Brandenburger Tor: ‘Hij was erbij geweest toen die poort weer openging […] Hij had gezien hoe jonge mensen dansten op de muur die er toen nog stond, avond was het, de eerste avond […] hij had naar de wervelende figuren van die dansenden gekeken, naar de door niets kapot te krijgen vreugde, en even had hij, misschien wel voor het eerst van zijn leven, het gevoel gehad dat hij bij het volk hoorde, nee, niet bij het volk, bij volk.’

Het gevoel van persoonlijke betrokkenheid bij historische omwentelingen, daar deel van willen zijn, kenmerkt ook Nelleke Noordervliets De naam van de vader (1993). In augustus 1989 begint de 44-jarige Augusta de Wit een zoektocht naar haar geschiedenis en ontdekt hoezeer de veranderingen in haar leven verweven zijn met alle wendingen in het naoorlogse Europa, eindigend met de Duitse hereniging. ‘Een menigte mensen stond roerloos te wachten op de slagen van een klok. Zelden had een opzettelijke historische gebeurtenis zo het potsierlijke karakter van een anticlimax. Er was iets afgesloten, maar wat? Er begon iets nieuws, maar wat?’ Hier dus geen euforie, maar verwachtingsvolle onzekerheid.

Achterom vooruitkijken is een wezenskenmerk van al het werk van Harry Mulisch, dus het wekt geen verwondering dat de profeet-schrijver, die geen onderdeel van de geschiedenis is, maar zichzelf tot verpersoonlijking daarvan heeft gemaakt, als eerste Nederlandse schrijver profetisch achterom keek naar de val van de Muur. Drie jaar na deze gebeurtenis voltooide hij De ontdekking van de hemel waarin de WO II, de Koude Oorlog en het einde ervan, de hele eeuw, in een machtig en mythisch verband worden geplaatst. ‘Rusland zal zijn koloniën verliezen, de hele wereld zal juichen van geluk om het aanbreken van een nieuwe tijd…en dan zal in de bevrijde gebieden de ultieme, bloeddorstige achterlijkheid de dienst weer uitmaken […] en bij het naderen van het derde millennium gaat die weerzinwekkende twintigste eeuw wegens overdonderend succes in reprise.’