Rouvoet leert van 28 aanbevelingsonderzoeken

Minister Rouvoet wil nog deze kabinetsperiode de jeugdzorg ingrijpend veranderen. „Het lijkt dat deze minister wil bewijzen dat hij toch nog wat voorstelt.”

Een parlementair onderzoek naar de problemen in de jeugdzorg is van de baan. Met die geruststelling kon minister André Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) gisteravond laat naar huis. Hij had er toen tien uur debat met de Tweede Kamer opzitten, verspreid over twee dagen. Het was Rouvoets derde begrotingsbehandeling.

Een zeer kritische en bijna voltallige oppositie pleitte voor een parlementair onderzoek naar de slecht lopende hulpverlening aan kinderen en gezinnen. De coalitiepartijen voelden niets voor zo’n politiek beladen onderzoek, omdat de minister dan maanden geen actie kan ondernemen.

Alleen Kamerlid Jeroen Dijsselbloem van de PvdA had de oppositie nog hoop gegeven. Maar uiteindelijk wees ook hij zo’n onderzoek af. Dijsselbloem kwam met het minder ingrijpende voorstel van een parlementaire werkgroep. Die gaat tot eind maart een aanvullende studie doen naar de knelpunten in de hulpverlening.

De werkgroep wil zich zo beter voorbereiden op de ingrepen die nodig zijn om de jeugdzorg veel klantvriendelijker en effectiever te maken.

Minister Rouvoet komt uiterlijk in februari 2010 met een kabinetsvisie. Daaruit zal blijken wat het kabinet doet met de aanbevelingen van achtentwintig onderzoeken die inmiddels over de slecht georganiseerde sector zijn uitgebracht.

Aanwijzingen waar het naar toe moet, gaf de minister gisteren al. Rouvoet wil gezinnen versterken met lichte opvoedondersteuning en met inschakeling van het sociale netwerk van het kind. Hij wil de versnippering in de sector ongedaan maken en ervoor zorgen dat professionals meer informatie uitwisselen. Ten slotte vindt hij dat hulpverleners kinderen korter dure gespecialiseerde hulp moeten geven.

De minister wordt daarin gesterkt door de kritische evaluatie van de wet op de jeugdzorg. Daaruit bleek deze week dat de beoordeling van de zorgbehoefte van kinderen een gedrocht is geworden. In de wens die zorgbehoefte zo objectief mogelijk vast te stellen – dus niet door de hulpverleners zelf – heeft de sector sinds 2005 een bureaucratisch moloch opgetuigd.

Toen de wet dat jaar in werking trad, kregen kinderen voor het eerst een wettelijk recht op jeugdzorg. Hoe een kind dat recht mag verzilveren, beoordelen onafhankelijke ‘indicatiestellers’. De onderzoekers van de evaluatie stellen nu het recht op jeugdzorg ter discussie. Zij vinden dat de manier waarop daaraan invulling wordt gegeven, leidt tot een veel te trage hulpverlening.

Veel Kamerleden keerden zich gisteren tegen afschaffing van het recht op jeugdzorg. Zij beschouwen dat nu juist als een van de weinige verworvenheden van de wet. Rouvoet antwoordde dat hij niet wil tornen aan „het materiële recht op zorg”. Maar hij wil wel kijken of hij het anders „vorm kan geven”.

Dijsselbloem gaf een onverwacht schot voor de boeg. In een motie vroeg hij Rouvoet alle ambulante hulp (bij mensen thuis) bijna per ommegaande te verlossen van de tijdrovende onafhankelijke beoordeling. Dit lijkt de wens van een Kamermeerderheid en ook Rouvoet stond welwillend tegenover het voorstel.

In verschillende rapporten staat dat de minister de nu zo versnipperde financiering van de zorg moet bundelen. De zorg aan licht verstandelijk gehandicapten zou niet langer uit de AWBZ-pot moeten komen, maar uit de zak geld die provincies van het Rijk krijgen voor de jeugdzorg. De Bureaus Jeugdzorg mogen dan ook de behoefte aan zorg van deze groep jongeren (14.000) met een laag IQ beoordelen. Nu doet het Centrum Indicatiestelling Zorg (Ciz) dat nog.

De werkgroep van de Kamer gaat dit idee en andere ideeën bestuderen. Elke partij zal daarbij eigen thema’s inbrengen. De PvdA wil weten waarom de jeugdzorg alsmaar blijft groeien, wat leidt tot de telkens terugkerende wachtlijsten. Het CDA maakt zich „grote zorgen” over de stuurloze ontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin voor eenvoudige gezinsondersteuning.

Rouvoet deinst intussen niet meer terug voor ingrijpende wijzigingen in het stelsel. Nog deze kabinetsperiode wil hij de zorg veranderen. Dat kwam hem op een sneer van Kamerlid Tofik Dibi (GroenLinks) te staan. „Dit is een race tegen de klok. Het lijkt dat deze minister wil bewijzen dat hij toch nog wat voorstelt.”

Commentaar pagina 7