Over tien jaar is de helft weg

Boeren in nood krijgen extra steun. Maar de afschaffing van de melkquota in Europa gaat door.

Vergaderingen van Europese landbouwministers hebben de laatste tijd standaard plaats achter wegversperringen van prikkeldraad en pantserwagens van de ME. Als de boeren hun woede daar niet kwijt kunnen, sproeien ze miljoenen liters melk over hun eigen land.

Onder druk van deze acties vroeg een coalitie van twintig EU-landen tijdens het laatste ministersoverleg in Luxemburg om 300 miljoen euro extra voor melkveehouders. Ze kregen 280 miljoen – het laatste restje geld op de begroting waarvoor nog geen bestemming was.

Die grote coalitie onder leiding van grootmachten Frankrijk en Duitsland (en zonder Nederland) wekte de indruk dat er brede politieke steun bestaat voor wijziging van de liberaliseringskoers die Europa al jaren op landbouwgebied vaart. „Ik zal geen middel onbeproefd laten om onze melkveehouders te steunen”, liet de Oostenrijkse landbouwminister Niki Berlakovich ook ferm weten. Maar is er werkelijk sprake van een koerswijziging? Willen de ministers opeens toch weer vasthouden aan het melkquotum dat in 2015 verdwijnt?

Een terugkeer naar het melkquotum is wel de eis van de demonstrerende melkboeren, verenigd in de European Milk Board Deze EMB vormt een minderheid, maar timmert hard aan de weg. De boeren willen terug naar een gesloten Europese markt waar vraag en productie op elkaar worden afgestemd en de prijs wordt bepaald in onderling overleg tussen boeren, afnemers en overheid – het zogeheten Canadese model.

Dat zou een ommekeer betekenen in de liberalisering die in de jaren negentig is ingezet. De vrijmaking had twee oorzaken, zegt landbouweconoom Cees de Bont van het Landbouw Economisch Instituut. „Andere landen oefenden via de Wereldhandelsorganisatie druk uit op de EU. En binnen Europa waren er bezwaren tegen de kosten van het landbouwbeleid en de overschotten die het creëerde.”

De druk van andere landen had een simpele reden: zij wilden toegang tot de lucratieve Europese markt en buiten de EU wilden ze geen valse concurrentie van producten die met exportsubsidies op de wereldmarkt werden gedumpt. Die exportsubsidies, zo heeft Europa bijvoorbeeld beloofd, verdwijnen in 2013.

„Je kunt landbouw niet meer los zien van de rest van de economie”, zegt De Bont. Want over dat totale pakket – landbouw, industrie en ook diensten – wordt nu in de WTO onderhandeld in het kader van het Doha-akkoord. „Trek je de bescherming van de landbouw weer op, dan krijg je een probleem met de industrie. Landen als Frankrijk en Duitsland kunnen zich dat niet permitteren. Duitsland heeft als exportland de industrie hard nodig.”

De federatie van Europese boerenbonden, Copa-Cogeca, erkent dat de liberalisering doorgaat en het melkquotum zal verdwijnen. De steunactie van de Europese ministers was vooral „symbolisch”, zei secretaris-generaal Pekka Pesonen van Copa-Cogeca vorige maand onmiddellijk na het besluit over de extra steun van 280 miljoen. „De EU zag de politieke noodzaak om een buitengewone maatregel te nemen en deed dat.”

Copa-Cogeca streeft er naar dat er, ook na de afschaffing van het melkquotum, een vangnet blijft voor de boeren – niet alleen voor melk, maar ook voor andere sectoren. „Interventie”, zegt Pesonen, zou de vorm van dat vangnet moeten zijn. Dat wil zeggen dat de overheid producten opkoopt en tijdelijk opslaat als de marktprijs onder een bepaald niveau zakt. De prijs ligt dan nooit onder de vastgestelde interventieprijs.

De EU garandeerde altijd al via interventie een bepaald prijsniveau, maar vroeger was dat gecombineerd met bescherming van de markt aan de buitengrenzen en exportsubsidies om de overschotten buiten de EU te kunnen dumpen. De melkquota zorgden ervoor dat de boeren niet expres te veel gingen produceren.

Al die bijkomende instrumenten zullen echter verdwijnen. De interventieprijs is sinds 2003 bovendien fors verlaagd, zodat het verschil tussen wereldmarkt en Europese markt minder wordt. Die lagere prijs is afgekocht met een jaarlijkse ‘bedrijfstoeslag’ die gebaseerd is op historische rechten en niet langer gekoppeld is aan de melkproductie. Volgens de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) bedraagt deze toeslag gemiddeld 20.000 euro per melkveehouder.

De Nederlandse boer zal in de ‘vrijere’ markt kunnen overleven, denkt Kees Wantenaar, voorzitter van de coöperatie FrieslandCampina en boer te Soest. „Er zijn enkele gebieden in de wereld waar de pure productiekosten lager liggen, maar niet overal”, zegt Wantenaar. „Het gaat ook niet alleen om de pure kostprijs, maar ook om de potentie van een hele regio met infrastructuur, knowhow, marktposities, innovaties. En wat dat betreft lopen we voorop.”

Wel zal er inkomenssteun voor de boeren moeten blijven, zoals de huidige bedrijfstoeslag. Over de rechtvaardiging voor deze steun wordt nu in de politiek en de landbouwsector nagedacht. De meest gehoorde gedachte is het vervullen van ‘maatschappelijke wensen’. Als de Nederlander graag op een mooie zondag door mooie weilanden fietst, dan zal daar een prijskaartje aan moeten hangen.

Ook de grote financier van de Nederlandse landbouw, de Rabobank, ziet kansen voor boeren. Ze zullen dan wel hun kosten moeten drukken, want een structureel hogere melkprijs ziet de Rabobank niet komen: tussen de 25 en 35 cent per liter tot 2020, zo stelt de bank in een recent rapport.

Dus zal tussen nu en 2020 nog eens de helft van alle melkveehouders verdwijnen en zullen de overblijvers hun bedrijf in die periode zeker verdubbelen qua grootte. „Door technologische ontwikkelingen gaat de opschaling van bedrijven door”, zegt Wantenaar. „De afname van het aantal bedrijven met 4 à 5 procent per jaar is een natuurlijk proces.”