Met bloed aan je handen kun je niet verder leven

In Den Haag richt een nieuw project zich op potentiële eerwraakplegers.

Mogelijke daders worden door gesprekken op andere gedachten gebracht .

Het begon met die Pakistaanse man bij wie de stoom zowat uit zijn oren kwam. Zijn vrouw had hem verlaten en hij was ten einde raad. Hij liep rond met serieuze plannen om haar te vermoorden. In zijn woede en frustratie zag hij geen andere manier om zijn geschonden eer te herstellen.

Maatschappelijk werker Celal Altuntas (37) vroeg de man goed na te denken over wat hij allemaal zou verliezen als hij zijn daad ten uitvoer zou brengen: hij zou ontslagen worden, zijn kinderen zouden hem nooit meer willen zien en hij zou voorgoed zijn gemoedsrust kwijt zijn. „Als je je plan uitvoert, breng je je eer juist schade toe”, zei Altuntas. „Je hebt dan een mens om het leven gebracht. En dat zal je je leven lang met je meedragen.”

Na een reeks gesprekken zag de man in dat niemand er iets mee zou opschieten als hij zijn ex-vrouw iets aandeed. Inmiddels is hij hertrouwd en opgelucht dat iemand hem indertijd op andere gedachten heeft gebracht. „Je hebt mijn leven gered”, zei hij onlangs tegen de maatschappelijk werker.

Altuntas kreeg vergelijkbare gevallen op zijn spreekuur in het Haagse Transvaalkwartier, waar negentig procent van de bewoners allochtoon is. Hij besloot dat er meer aandacht nodig is voor migrantenmannen die worstelen met een ‘eerprobleem’. Zo, meent hij, kunnen veel gevallen van eergeweld worden voorkomen.

Hij zette samen met Zebra, de welzijnsorganisatie waarvoor hij werkt, een project op dat zich specifiek richt op potentiële eerwraakplegers. Het project heet ‘Geen eer aan te behalen’ en werd gisteren officieel geopend tijdens een themamiddag over eergeweld in Den Haag. De slogan is: ‘Hulp vragen is geen gezichtsverlies.’

‘Geen eer aan te behalen’ is een uniek project in Nederland. Tot nu toe is de aandacht voornamelijk gericht geweest op hulp aan de slachtoffers. Maar om eergeweld bij de wortel te bestrijden, is een mentaliteitsverandering nodig onder bepaalde groepen migranten. En daarvoor moeten de potentiële daders worden aangesproken.

Toen in de jaren negentig de eerste eermoorden in het nieuws kwamen, was de verwachting dat een mentaliteitsverandering vanzelf op gang zou komen. De tweede en derde generatie migranten zou immers zó goed integreren, dat de familie-eer in hun leven geen rol meer zou spelen. Dat bleek een vergissing te zijn.

De historicus Erdal Gezik deed in 2003 onderzoek naar de opvattingen over eer onder Turkse migranten van de tweede en derde generatie. Daaruit bleek dat zij de familie-eer nog steeds erg belangrijk vinden. Zelfs hoogopgeleide, modern geklede jongens bleken bereid een geweldsdelict te plegen voor het redden van de eer. In de woorden van een achttienjarige Nederlands-Turkse scholier: „Wij Turken kunnen niet zonder eer leven, zonder eer zijn we niets.”

De bedoeling van ‘Geen eer aan te behalen’ is potentiële daders aan te spreken, op andere gedachten te brengen en, zo nodig, hulpverlening aan te bieden. Om deze mannen te bereiken worden in moskeeën en verenigingen gastlessen en discussieavonden georganiseerd, er komt een voorlichtingsfilm en er worden posters en flyers verspreid.

Altuntas spreekt mannen ook persoonlijk aan, bijvoorbeeld bij de Turkse bakker, de Marokkaanse slager of in de moskee. Daarmee doorbreekt hij een taboe. „Mannen reageren in eerste instantie een beetje geschokt als ik het woord ‘eer’ laat vallen”, vertelt hij. „Want daar hoor je niet over te praten. Maar dan ga ik met hen in gesprek en leg uit waar ik mee bezig ben. Ik zeg: stel dat jij met een eerprobleem zit. Je vrouw wil van je scheiden, of je dochter is van huis weggelopen. Dan moet je toch terecht kunnen bij iemand die begrip heeft voor je situatie? Dan is het toch belangrijk dat iemand met je meedenkt over een verstandige oplossing?”

Bij Nederlandse hulpverleners bestaat vaak weinig begrip voor de wanhoop van een man met een eerprobleem en de ernstige gevolgen die dat kan hebben. Zij kunnen zich moeilijk voorstellen dat een geschonden familie-eer het ergste is wat zo’n man kan overkomen. Ze weten niet wat het voor iemand uit een collectivistische cultuur betekent om uit de gemeenschap te worden gestoten. Het leven heeft voor zo’n man geen zin meer. Vandaar dat sommige migrantenmannen bereid zijn om, in het uiterste geval, een moord te plegen om de familie-eer te redden. Vaak worden deze mannen ook door de familie en de omgeving onder druk gezet om ‘iets te ondernemen’.

Als er iemand is die wél begrip kan opbrengen voor een man die met plannen voor een eermoord rondloopt, is het Celal Altuntas wel. Opgegroeid in een dorp in Zuidoost-Turkije, werd hij als vijftienjarige jongen door zijn familie aangewezen om de moord op zijn twee neven, die hij nog nooit had ontmoet, te wreken. Ten slotte werd van dat voornemen afgezien.

„Uiteindelijk is er niemand vermoord”, vertelt Altuntas. „Dat kwam omdat mijn vader een verzoenende man is. Hij heeft veel conflicten opgelost waar eerwraak dreigde. Je kan dus zeggen dat het in de genen zit. Ikzelf heb mij als vijftienjarige trouwens nooit verzet tegen mijn opdracht. In tegendeel, ik zag het als een eer dat de familie mij had uitverkoren, dat ze vonden dat ik moedig genoeg was om zoiets te doen. Ik wist dat als ik een eermoord zou plegen, mensen voortaan bang voor me zouden zijn.”

Pas toen hij maatschappelijk werker werd, ging Altuntas inzien hoe vernietigend zo’n daad is. „Uiteraard allereerst voor het slachtoffer, maar ook voor de dader. De meeste daders denken dat ze na zo’n moord eervol verder kunnen leven. Dat is een illusie. Ze hebben bloed aan hun handen. Daar kun je niet mee leven.”