Maria Joao Pires laat noten opbloeien

Klassiek Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer met Maria Joao Pires (piano). 4/11 Concertgebouw A’dam. Herh. 5 en 6/11. Radio 4: 15/11, 14.15 uur.****

Hoe meefluitbaar mag een concertprogramma zijn? Voordat het Concertgebouworkest zich later deze maand dapper waagt aan een barokprogramma, speelt het onder Iván Fischer nu een programma met uitsluitend wel zeer vertrouwde Mozartfavorieten.

Door de opzet en aanpak van Fischer viel de meeneurie-factor in de praktijk mee; zijn benadering van de Ouvertüre Die Zauberflöte was er één van grote helderheid maar ook van een duidelijke focus op drama en retoriek. Zo werd het blazerskoraal halverwege door lange adempauzes opgesneden, waardoor een symbolische lading werd gesuggereerd en ook het vervolg aan betekenis won.

Het Concertgebouworkest was uitgedund tot kamerorkestgrootte; bassen in authentieke opstelling achteraan, violen aan weerszijden voor. Ook in het gedoseerde gebruik van vibrato propageert Fischer een klassieke Mozart-stijl, waarin (Jupitersymfonie) hij zich soms best wat meer lyriek en breedte mag permitteren.

Hoogtepunt van dit programma was het Pianoconcert nr. 23 met de pianiste Maria Joao Pires. Pires laat noten in haar spel opbloeien door onopgesmuktheid, overgave en aandacht voor de intensiteit van elke aanslag – een wondergroeimiddel voor muzikale poëzie, zo bleek. In het Adagio gaf haar extreem subtiele timing – nèt op het randje tussen a tempo en stroperig – de schoonheid vleugels.

Diezelfde eigenschappen (timing, timbre) verleenden ook haar toegift, het Largo uit Bachs Klavierconcert in f, extreme concentratie en betovering. Zalvend liet Pires de opgeroepen tederheid niet worden; de plaagstoten in het Allegro werkten juist zo effectief doordat zij die inzette terwijl de verstilde sfeer van het voorafgaande nog niet was uitgedoofd.