Loodslabben

Mijn stukjes schrijf ik meestal thuis. Heerlijk rustig, denkt iedereen. Geen gedoe met files, volle treinen in de spits en zeurende collega’s op kantoor. Men onderschat wat een mens kan overkomen die thuis in rust zijn werk denkt te kunnen doen.

Op een morgen was ik net aan een stukje begonnen toen de bel zó indringend ging dat ik hem niet kon negeren. Een kleine man in overal stond voor de deur. „Ik moet bij u naar binnen”, zei hij, „want de benedenburen zijn niet thuis”.

„Bent u van de schilders?” vroeg ik geprikkeld.

Mijn ergernis werd veroorzaakt doordat de schilders van ons appartementengebouw nu al een maand lang mijn achterbalkon barricadeerden met hun steigers. Een week geleden hadden ze de steigers afgebroken, maar gisteren richtten ze die plotseling weer op, alsof ze bang waren dat ik er heimwee naar zou krijgen.

„Ik ben de timmerman van hetzelfde bedrijf”, zei hij. „Er is wat misgegaan.” Ik verleende hem vrije doortocht met het klemmende verzoek de kat binnen te houden. Daarna probeerde ik achter mijn laptop de draad van mijn concentratie te hervinden.

Tevergeefs, want de timmerman begon onder mijn raam een mobiel telefoontje met een vriend. „Dit is een klus, dat wil je niet weten”, zei hij. „De schilders zouden het zink en het lood controleren, maar daar hebben ze natuurlijk geen zak verstand van. Zoals die loodslabben erbij liggen! Een rotzooi! Nu moet ík het opknappen. Wat zeg je? Ja, ik was in Venezuela, lekker jongen, prachtig jongen, maar ik moet ophangen, ik heb het te druk.”

Terwijl ik aan mijn tweede alinea probeerde te beginnen, schoven die loodslabben voor mijn geestesoog. Het woord kende ik wel – prachtig woord – maar ik had geen idee hoe een loodslab eruitzag en wat de functie ervan precies was. Toch even opzoeken in de Van Dale. Een loodslab, las ik, was „een strook geplet lood die in een horizontale voeg van het metselwerk van schoorstenen in de metselspecie wordt bevestigd, zodat de omlaaghangende…”

Ik zag het vreeswekkende woord ‘inwateren’ staan, maar ik kon niet verder lezen omdat de timmerman op mijn raam klopte. „Ik moet er weer in”, riep hij. „Wat een troep”, zuchtte hij even later, „dit gaat dagen duren. Die loodslabben!”

„Rotdingen”, beaamde ik.

Hij deelde me zakelijk mee dat hij zich enkele dagen onbeperkt door mijn huis moest kunnen bewegen. Had ik een sleutel voor hem? Ik dook in doosjes, potten en pannen en vond na een kwartiertje een reservesleutel. Kwiek verliet hij het huis. Ik ging weer achter mijn laptop zitten, wanhopig bijna.

Omstreeks de vierde alinea stond de timmerman weer binnen. Hij liep meteen door naar het balkon. „Denk om de kat!” riep ik nog. „Hij was al bijna buiten”, zei hij, en ik hoorde geluiden van een worsteling.

Op hetzelfde moment ontstond bij de voordeur een hels gekrijs. Kleinzoon Hidde, die met mijn vrouw boodschappen had gedaan, was met een vinger tussen de deur gekomen. Terwijl mijn kat woedend naar de timmerman blies en mijn kleinzoon volkomen overstuur mijn kamer binnenviel, ging de telefoon. Mijn eindredacteur. „Alles goed?” vroeg hij.

Van Frits Abrahams ligt een nieuwe verzamelbundel in de boekhandel, ditmaal over familiezaken: Familie, wat moet je ermee? (Uitgeverij Prometheus/NRC Boeken, 189 pag., 14,95 euro.)