Inchallah

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Na mijn vakantie in Marokko was ik twee weken lang de enige bewoner van ons driekamerappartement. Mijn neef en huisgenoot Mustapha was in ons geboortedorp achtergebleven. We zouden samen terugvliegen naar Nederland, maar op de dag van vertrek werd Mustapha ziek bij het vooruitzicht om terug te keren naar IJmuiden. Een paar uur voor het vliegtuig opsteeg vanuit Casablanca sleepte hij zijn koffers naar de taxistandplaats. We lieten ons naar een dokter rijden, die een papiertje uitschreef waarop stond dat Mustapha officieel ziek was. Voor een paar dirham stelde de dokter de volgende diagnose : Mustapha leed aan een zeldzame bacteriële infectie en moest twee weken in quarantaine. Mustapha was voor even verlost van het ziekmakende monster dat heimwee heet. Blakend van gezondheid stapte hij in de bus terug naar ons dorp. „Ik zie je over twee weken, neef.”

Vandaag zou Mustapha terugkomen. Ik wachtte op hem bij de aankomsthal van Schiphol. Ik zag tientallen van mijn landgenoten hun familie en vrienden in de armen vallen. De geuren die ze meenamen en de taal die spraken, brachten Marokko weer dichtbij.

Mustapha was de laatste die de ontvangsthal binnenkwam. Hij was nog bruiner dan twee weken geleden en sleepte meer koffers en tassen met zich mee dan hij kon dragen. We omhelsden elkaar. „Ik ga trouwen, neef”, was het eerste dat hij zei. „Met de dochter van Lhaj Dinar. Zijn jongste, je weet wel wie ik bedoel, Khadjia.” En of ik wist wie hij bedoelde. Iedereen in het dorp had er één van zijn ogen voor over om één keer hand in hand met haar door een olijfgaard te mogen lopen. Mustapha gaf het hele dorp het nakijken; hij zou niet alleen haar handje vasthouden, maar zelfs meer dan dat.

„Weet je hoe ik het heb geflikt?” vroeg Mustapha in de bus naar IJmuiden. „Toen ik terug was in het dorp heb ik van mijn laatste centen een groot feest gegeven. Ik heb een kalf laten slachten, kocht snoep voor alle kinderen en voor de meisjes had ik van die plastic armbandjes gekocht die nu zo in de mode zijn. Khadija liet mij nog diezelfde dag via via weten dat ze erg blij was het haar cadeau, en hoopte dat ik hún niet zou vergeten als ik terug was in Nederland. Weet je wat toen ik deed, neef?” Ik schudde van nee. „De volgende dag gaf ik mijn ouders twaalf suikerbroden en vijf kilo van het beste vlees van het kalf mee. Ik zei tegen ze: ‘Geef dit aan Lhaj Dinar en vraag zijn dochter Khadija ten huwelijk.’ Zo gezegd, zo gedaan, en voor de week om was, waren we verloofd.”

Toen we in IJmuiden aankwamen, wilde Mustapha direct door naar de kroeg om zijn verloving met Khadija te vieren. We zeulden met de bagage door de straten. In het café belden we Kemal de Turk op om ons te vergezellen.

Kemal was niet op vakantie geweest. Hij luisterde ademloos naar Mustapha’s vakantieverhalen.

„Prachtig, abe. Jullie Marokko precies Turkije.” Mustapha vertelde Kemal ook over zijn verloving. Daarop sprak Kemal een heilwens uit: „Abe, moge je huwelijk net zo stralen als duizend sterren, en moge jouw Khadija jou sterke, dappere mannen schenken.” De dronken en geëmotioneerde Mustapha hief zijn handen in de lucht en riep met verstikte stem: “Inchallah, Kemal, inchallah.” Daarna bestelde hij een rondje voor de tafel.

„Laten we toosten, mijn vrienden”, zei Mustapha. „Op mijn toekomst. Over vijf jaar heb ik drie zonen, een eigen huis in Marokko en een Peugeot 304. En op mijn neef Driss, dat hij net zo een toekomst tegemoet mag gaan als ik.” We klonken onze glazen tegen elkaar en zeiden: Amin. Ik zei amen uit gewoonte, maar of ik daarmee een toekomst als die van Mustapha verlangde, stond allesbehalve vast.