In 2011 animatie van eigen bodem?

Nederland blinkt uit in korte animatiefilms.

Op het Holland Animation Film Festival in Utrecht is daar echter weinig van te zien.

Gisteravond opende het Holland Animation Film Festival met de Russisch-Japanse animatiefilm First Squad, waarin paranormale Sovjets het opnemen tegen occulte SS’ers. Deze week is in Utrecht weer de nieuwste animatie uit Azië, Tsjechië of de VS te zien. Maar op korte of artistieke films na, zit er weinig Hollands tussen.

Dat gaat veranderen, belooft Willem Thijssen (62), in september bij het Filmfonds in dienst getreden als de eerste intendant voor animatie. Na twee beren zal straks Sinterklaas de eer van de Nederlandse animatie hoog houden.

Want Thijssen heeft zich voorgenomen voor het eerst sinds het geflopte Beertje Sebastiaan: de geheime opdracht (1991) en de succesvolle Bommelfilm Als je begrijpt wat ik bedoel (1983) een Nederlandse animatiefilm in de bioscoop te brengen. In 2011, waarschijnlijk een Sinterklaasfilm.

Als directeur van filmbedrijf CinéTé en producent van bijna tachtig animatiefilms, waaronder de Oscarwinnaars Een Griekse tragedie (1987) en Father and Daughter van Michael Dudok de Wit in 2001, ontbreekt het Thijssen niet aan ervaring. Het budget voor (korte) animatie is met twee ton opgeschroefd tot 1 miljoen euro: goed voor een halve minuut in een Pixar-film als Up. Een lange animatiefilm zal deels uit het reguliere budget voor speelfilms moeten komen, aldus Thijssen. Een productiebudget van 6 miljoen euro acht hij nodig, 3,5 miljoen is realistisch. Zaterdag ontvouwt Thijssen zijn plannen op het Utrechtse animatiefestival.

Nederland heeft een goede naam in animatie, zegt Thijssen. „We worden vaak geselecteerd voor grote festivals als Cannes of Berlijn, we winnen prijzen. Maar de expertise is te versnipperd en kleinschalig.” Maar sinds de millenniumwisseling gaat het matig met animatie. Omroepen zenden het nauwelijks uit, voorfilmpjes verdwenen definitief uit de bioscoop. Een initiatief om tekenfilmpjes van twee minuten voor bioscoopconcern Pathé te maken, is vooralsnog een uitzondering. Tegelijk is er meer werk dan ooit voor animators: in reclame, videogames en websites. Talent hoeft niet meer uit te wijken.

Nederland blinkt uit in de korte, artistieke animatiefilms, waar een langdurige, solitaire arbeid aan ten grondslag ligt. Neem Thijssens Oscarwinnaar Father and Daughter: daaraan werkte animator Dudok de Wit in zijn eentje twee jaar, heel soms met hulp. Dat ligt anders bij A-Film, een mede door de Nederlandse animator Hans Perk opgerichte Deense animatiestudio met veertig vaste medewerkers die regelmatig winstgevende lange animatiefilms uitbrengt. Thijssen: „Dan zwelt het personeelsbestand aan tot driehonderd man.” Uit België komen dit jaar, vaak in coproductie en met wisselend succes, vier lange animatiefilms.

Een volwassen filmcultuur, dat betekent én speelfilms, én documentaires, én animatie, vindt Thijssen. Gebrek aan traditie is geen excuus: Denemarken en België kennen evenmin een animatietraditie. Bij filmproducenten heerst koudwatervrees: het productieproces is onbekend en heel anders dan bij ‘live action’. En animatie vereist stevige investeringen: de half gelukte Suske en Wiske en de Texasrakkers kostte al 9 miljoen euro.

Thijssen ziet zichzelf als matchmaker. Zijn taak is een combinatie te maken tussen een filmproducent die gewend is te werken met een groot budget en studio’s met genoeg omvang en ervaring om een lange animatiefilm aan te kunnen. Thijssen ziet er een paar, zoals Guerrilla, bekend van de game Killzone, Submarine en il Luster. „Het draait om ondernemerschap, om een persoonlijkheid die het durft. Disney begon met Walt Disney, Pixar met John Lasseter. In hun tijd was niet duidelijk of er een markt was voor tekenfilms of computeranimatie.”

Commercieel is animatie interessant, zegt Thijssen, die zelf Lasseters’ Pixar in 1987 voorbleef in de strijd om de Oscar voor beste korte animatie. Grote animatiefilms spreken het hele kwadrant aan, de marketingterm voor de vier grote doelgroepen: man, vrouw, onder en boven 25 jaar. Uit het rapport Economics of Motion Pictures blijken grote animatiefilms in de VS de hoogste nettowinst te maken: 221 miljoen dollar gemiddeld per film. Thijssen: „Ice Age 3 haalde dit jaar in Nederland de hoogste recette, Up van Pixar loopt ook uitstekend. Bovendien is animatie minder aan grenzen gebonden dan speelfilms en laat het zich eenvoudig nasynchroniseren.”

Maar Nederland kent maar één succesvolle animatiespeelfilm: Als je begrijpt wat ik bedoel, de Bommelfilm die in 1983 een half miljoen bioscoopkaartjes verkocht. Het was een project van oude striptekenaar Marten Toonder en producer Rob Houwer. Thijssen: „Maar Houwer maakte ook Turks Fruit, dat met een veel lager budget zesmaal zoveel kaartjes verkocht. Voor Houwer was de winstmarge van Als je begrijpt wat ik bedoel niet erg interessant.” Toonder Studio’s ging in 2002 failliet.

Bij zijn aantreden bij het Filmfonds trof Thijssen vijftien plannen voor lange animatiefilms aan: van het al jaren voort sudderende Heinz: the Movie tot vijf minuten animatie voor Dirk Jan, Heinz’ rivaal als Nederlands meligste stripheld. Maar één plan is zowel vergevorderd als commercieel veelbelovend, aldus Thijssen. Een Sinterklaasproject. De werktitel is in elk geval wat bondiger dan zijn voorgangers: Trippel Trap.

Holland Animation Film Festival t/m 8 nov.: haff.awn.com