Geld op de bank moet de klas in

Scholen hebben weinig verstand van hun eigen financiën. Ze hebben te veel geld op de bank staan. Een deel daarvan kunnen ze in het onderwijs steken, zegt minister Plasterk.

De professionalisering van het management op basisscholen is afgerond, vindt staatssecretaris Dijksma (Onderwijs, PvdA). Daarom heeft ze het bedrag dat basisscholen voor dat doel kregen, 90 miljoen euro per jaar, wegbezuinigd. De basisschoolbesturen zijn daar al maanden heel boos over.

Die woede zou terecht kunnen zijn, bleek gisteren. De commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstellingen, voorgezeten door econoom Henk Don, concludeerde dat het financieel inzicht van scholen tekortschiet. Vooral bestuurders van basisscholen hebben te weinig verstand van financiën.

Het rapport van de commissie-Don beslecht de discussie die de afgelopen jaren woedde, aangezwengeld door de Algemene Onderwijsbond (AOb), over schoolbesturen die „miljarden” ten onrechte niet aan het onderwijs besteden. De besturen verweerden zich met het argument dat ze een financiële buffer nodig hebben voor investeringen en om risico’s af te dekken.

Hoe groot mag die buffer zijn? Tot nu toe rekende het ministerie van Onderwijs met het ‘weerstandsvermogen’ – het eigen vermogen gedeeld door de totale baten. Als dat percentage tussen de 10 en de 40 bleef, zaten scholen goed.

Don introduceert een nieuwe norm: de kapitalisatiefactor. Die wordt berekend door het totale kapitaal van een school (exclusief gebouwen en terreinen) te delen door de totale baten. Bij kleine besturen van basis- en middelbare scholen mag het kapitaal 60 procent van de baten bedragen, grote scholen moeten het doen met 35 procent.

Volgens deze norm hebben 90 procent van de basisscholen en 70 procent van de middelbare scholen te veel geld op de bank staan. Dat geld hadden ze ook in het onderwijs kunnen steken. Maar, waarschuwt Don, de normen zijn ‘signaleringsgrenzen’, geen wettelijke eisen.

Die kapitalisatiefactor is „moeilijk te begrijpen”, zegt partner en registeraccountant Frank van Kuijck van Deloitte. „Een school die boven de norm zit, hoeft niet per se een ondoelmatig beleid te voeren. De hoogte van de norm zegt niet altijd iets over het financieel beheer. Ik zou zeggen: kijk ook naar de onderwijskwaliteit. Scholen met veel geld op de bank en met goed onderwijs moet je niet direct afrekenen op de norm.”

Niettemin neemt minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) de Don-norm over. Scholen die de norm overschrijden, kunnen extra bezoekjes verwachten van de Inspectie van het Onderwijs.

Don kon niet zeggen hoe groot het bedrag is dat scholen te veel op hun bankrekening hebben staan. Dat ligt aan de individuele situatie van elke school, aldus de econoom. Het zou veel tijd vergen om per school te bepalen wat het overschot is. Tweede Kamerlid Jasper van Dijk (SP) zag gisteren niettemin kansen om extra geld in het klaslokaal te doen belanden.

De vereniging van basisschoolbesturen PO-raad erkent dat niet alle scholen professioneel genoeg zijn. „En daarom moet Dijksma haar bezuiniging intrekken”, zegt een woordvoerder.