Gehoord van de genocide op Java?

In Duitsland zijn de lessen uit het verleden niet vergeten.

Maar Nederland lijkt verblind door zijn gevaarlijke mythe van onschuld.

Otto von der Gablentz, de legendarische ambassadeur van de Duitsland in Den Haag, is een van de mensen die van mij een Europeaan hebben gemaakt. Dat was ik natuurlijk altijd al, maar ik bedoel: een bewuste Europeaan, denkend en handelend vanuit Europees perspectief. We raakten bevriend en we praatten natuurlijk veel over Nederland en Duitsland.

Otto vertelde bijvoorbeeld over het vanzelfsprekende feit dat in het Duitsland van zijn jeugd er altijd tantes waren, en zelden ooms. We hadden het over het gevoel dat zijn generatie in Duitsland nog heeft gekend, dat een oorlog nu eenmaal normaal is. Het is een gevoel waarover ik ook oudere Polen en Russen hoorde praten, het idee dat iedere generatie wel een oorlog meemaakte, dat we er allemaal weleens een keer aan moeten geloven, en dat je je daar nu eenmaal bij neer moet leggen. Dat was hun mythe, de mythe van oorlog.

Ons Nederlanders is dat gevoel volstrekt onbekend, we willen er zelfs niets van horen, we verpakken het woord ‘oorlog’ in aangename termen als ‘vredesmissie’ of ‘wederopbouwproject’ en alleen als een dappere militair een hoge onderscheiding krijgt, schemert iets door van de bloedige werkelijkheid van het slagveld Afghanistan. Voor ons zijn oorlog en normaliteit twee volstrekt onverenigbare grootheden, sterker nog, in het Nederlandse geschiedenisverhaal komen oorlog en vervolging zelden voor. Tenzij we slachtoffer zijn, natuurlijk. Van anderen. Dan wel. Dat is onze mythe, de mythe van onschuld.

Op dit moment betreden we daarin een nieuwe fase. De generaties die zelf verantwoordelijkheid hebben gedragen zijn bijna van het toneel verdwenen, we kunnen bepaalde terreinen met grotere onbevangenheid verkennen, er is alle ruimte voor nieuwe vragen en nieuw onderzoek.

De laatste tijd komt zo steeds meer geschiedenis naar boven die lang, te lang, is weggedrukt. Bijvoorbeeld, in Duitsland, het gruwelijke leed van de vluchtelingen en de bombardementsslachtoffers. Ook dit slachtofferschap hoort, uiteindelijk, een onderdeel te worden van het grote Duitse verhaal.

Eenzelfde herwaardering verdient het Duitse verzet. Duitsland heeft een proces van bijna voorbeeldig zelfonderzoek achter de rug, maar wat in het Nederlandse zelfbeeld altijd centraal heeft gestaan, het heldendom van de dwarsliggers, is in ons buurland tot nu toe in de schaduw gebleven. Toch waren er vele honderdduizenden Duitsers die, tegen alles en iedereen in, de ongelofelijke moed hadden om te zeggen: ‘Ich nicht’.

Het waren er veel te weinig, maar toch, ze waren er, overal.

Waarom? Het kan de beladenheid van het onderwerp zijn geweest: er waren in het verleden groepen die, met uitsluiting van anderen, claimden ‘het’ verzet te zijn geweest, het enige ‘goede’ Duitsland – met name de communisten hadden daar een handje van. Het stigma van ‘landverraad’, dat nog lang rond deze dissidenten hing, kan ook een rol gespeeld hebben bij hun marginalisering. En het bestaan van dit verzet bleef, denk ik, ook zolang in de schaduw omdat het aantoonde dat de verantwoordelijkheid voor het ‘meegaan’ niet alleen kon worden afgewenteld op de nazi’s of de staat, maar dat er wel degelijk een individuele keuze mogelijk was. Een razend moeilijke keuze, met enorme consequenties, maar toch, een keuze.

In Nederland liggen de vragen juist aan de andere kant. Nederland zou in deze fase van hernieuwde bezinning nog wel wat meer zelfonderzoek kunnen gebruiken. De weggedrukte geschiedenis ligt hier op een ander vlak. Bijvoorbeeld van de typisch Nederlandse apartheid: in het zwembad in het Nederlands-Indische Medan, waar mijn ouders, broers en zusjes gelukkige uren doorbrachten, was voor mensen met een niet-blanke huidskleur geen plaats. Slechts één avond in de week was het bad speciaal voor hen toegankelijk.

De geschiedenis van onze eigen oorlogen is op dezelfde manier weggedrukt – ook al omdat we die zelf bijna altijd buiten het eigen grondgebied uitvochten. Nederlandse politici spreken met weemoed over de ondernemersmentaliteit van de VOC, we kennen bijna allemaal Michiel de Ruyter en Jan Pieterszoon Coen, maar wie heeft ooit gehoord van de Nederlandse genocide in 1825 op Java, toen bij de opstand van prins Diponegoro naar schatting 200.000 Javanen, merendeels moslims, werden afgeslacht? In geen schoolklas wordt dat, bij mijn weten, geleerd.

Ook kost het veel Nederlanders nog altijd grote moeite om onder ogen te zien dat, naast de heldenmoed van sommigen, het overgrote deel van de Nederlanders tijdens de bezetting een min of meer grijze positie innam. Sterker nog, nazi-organisaties als de NSB waren waarschijnlijk veel Nederlandser dan we ooit hebben willen toegeven.

Processen van afstoting en uitsluiting van minderheden, zoals die plaatsvonden in het Duitsland van de jaren dertig, het Frankrijk en Nederland van de jaren veertig en het Servië van de jaren negentig, zouden in Nederland weleens wat nauwkeuriger bestudeerd mogen worden. Het gaat daarbij niet om het demoniseren van bepaalde personen of bewegingen, het gaat om het analyseren van wat er precies gebeurde. Gebeurtenissen herhalen zich nooit op dezelfde manier. Dat neemt niet weg dat bepaalde processen wel herkenbaar zijn, door de hele geschiedenis heen.

Het voordurend problematiseren en ter discussie stellen van de aanwezigheid van minderheden, zoals nu in Nederland plaatsvindt, is niet zelden de voorfase van discriminatie en soms zelfs geweld. Dat proces wordt versterkt als zulk racistisch gedachtegoed als het ware uit de extremistische hoek ontsnapt en een stempel krijgt van ‘normaliteit’. Bijvoorbeeld doordat de gevestigde media zulke ideeën als een ‘normale’ politieke richting presenteren. Of, nog ernstiger, doordat gevestigde politieke partijen en de vakbeweging zich voor coalities met zulke extremistische bewegingen openstellen, alsof ze binnen de ‘normale’ democratische orde vallen.

Bovendien fungeert zo’n proces in een samenleving als een motor voor verdere vernedering. Er ontstaat een soort zelfrechtvaardiging. Mensen hebben nu eenmaal de neiging om de gevestigde orde als een rechtvaardige orde te beschouwen, ook al is het tegendeel het geval. Wie vernederd wordt, al is het volstrekt ten onrechte, wordt door de toeschouwers vaak bijna vanzelf ook als ‘minder’ gezien, of zelfs als ‘slecht’. Uiteindelijk kan dat leiden tot het uitsluiten van zulke vernederde minderheden buiten het morele universum, zodat morele waarden, grondrechten en menselijke overwegingen niet meer op hen van toepassing hoeven te zijn. Dat kan uitlopen op, ik zeg het maar voorzichtig, heel veel onrecht en heel veel menselijk leed.

Veel mensen in Nederland weten dat, en zijn ongerust. Maar veel anderen lijken niet te beseffen dat zogenaamde politieke correctheid ook een vorm van beschaving is, dat bepaalde uitlatingen en campagnes in een democratische rechtsstaat niet acceptabel zijn, en dat daarover in beschaafde landen tussen politici meestal een soort onuitgesproken overeenstemming bestaat. Zoals in het hedendaagse Duitsland, waar deze lessen niet vergeten zijn. Nederland, daarentegen, lijkt wel verblind door zijn mythe van onschuld.

Geert Mak is auteur van onder meer In Europa. Dit is de bekorte versie van zijn toespraak afgelopen maandag bij de aanvaarding van de Otto von der Gablentzprijs. De volledige tekst staat op geertmak.nl.

Houdt Nederland een mythe van onschuld in stand? Discussieer mee op nrcnext.nl