Zij willen leren hoe je iets maakt

De ambachts- en vakscholen keren langzaam terug in Nederland.

Want aan jonge mensen die goed zijn in een vak is nu erg veel behoefte.

Karlijn van Houwelingen

Modeontwerper Jan Taminiau gaat soms naar China, op zoek naar inspiratie voor zijn jurken. Daar zoekt hij naar ambachtslui en handwerk. „Vorige keer viel het tegen”, zegt Taminiau. „Zag ik daar ook al vrouwen op knoppen drukken.”

Waar in landen als China het ambacht langzaam lijkt te verdwijnen, is er in Nederland juist sprake van een tegenovergestelde trend. De aandacht voor het ambacht neemt hier sterk toe. Er zijn weer vakscholen. En er is werk.

Veel werk zelfs, zegt het Hoofdbedrijfschap Ambachten (HBA), brancheorganisatie voor vaklieden in veertig sectoren. Voorzitter Piet Kalle: „Ondanks de crisis is er nog altijd meer vraag naar vakmensen dan aanbod. Bovendien is de uitstroom door de vergrijzing groot.”

Neem de schoenmakers: hun aantal neemt snel af. In 2004 waren er nog 1.008 bedrijfjes, twee jaar later waren er nog 780 over, rapporteert de SVGB, kennis- en opleidingscentrum voor vakmanschap. Veel schoenmakers gaan met pensioen en hebben geen overnamekandidaat.

De enige opleiding voor ‘schoenherstellers’, uitgevoerd door het SVGB in Nieuwegein, leverde vorig jaar slechts twaalf starters af. Intussen steeg de totale brancheomzet wel. Door de recessie stellen mensen de aankoop van nieuwe schoenen uit en laten ze hun oude paar nog eens repareren.

„In de ambachten is vooral behoefte aan ondernemerschap”, zegt Wim Ummels van de SVGB. Schoen-, hoeden-, meubel- of klokkenmakers, goud- en zilversmeden, pianoreparateurs: dat zijn vaak zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers), dus zonder vacatures. Door de vergrijzing is er wel ruimte voor nieuwe ondernemers, jaarlijks minimaal driehonderd, volgens schattingen van het SVGB. „Het duurt op dit moment vier jaar om een vak te leren. Als er nu geen aanwas is, is het tekort over vier jaar nog veel groter”, waarschuwt Piet Kalle. Bovendien gaat met de pensionering van ambachtslieden ook veel kennis verloren.

Tijd voor actie dus. De SVGB zette nieuwe mbo-vakopleidingen op. Het Hout- en Meubileringscollege in Rotterdam startte met ‘houttalent’, een opleiding voor de timmerindustrie. De Vakschool Schoonhoven leidt nu op tot glazenier (maker en reparateur van glas-in-loodramen). Sint Lucas in Boxtel begint volgend jaar de opleiding ‘creatief vakman’, waar jongeren leren werken met textiel, keramiek, leer of glas. Niet voor massaproductie, maar om de ideeën van kunstenaars en ontwerpers te kunnen uitvoeren.

Volgend jaar begint de Dutch HealthTec Academy, waar bijvoorbeeld tandtechnici en orthopedisch schoenmakers opgeleid worden. In hun branche, de gezondheidstechniek, waren op 1 juni van dit jaar al zo’n vierhonderd vacatures. Door de vergrijzing zal de vraag naar gebitsprotheses en speciale schoenen alleen maar toenemen.

Het middelbaar onderwijs kent sinds vorig jaar zogenoemde ‘vakcolleges’. Daar krijgen vmbo-leerlingen zes jaar veel praktijkles in techniek, met als eindpunt een mbo-diploma op niveau 2 of 3.

Ook de gemeente Amsterdam wil vakmanschap stimuleren, om jeugdwerkloosheid terug te dringen en de creatieve industrie te versterken. „Want we kunnen van alles bedenken, maar niemand kan het meer maken”, zegt Lucas Hendricks, die de gemeente adviseerde over vakmanschap. Zo heeft niet alleen Jan Taminiau, maar de hele Amsterdamse mode-industrie behoefte aan vakbekwame naaisters. „Ambachten bieden bovendien een reëel toekomstbeeld voor iedereen, omdat je ze kunt beoefenen op verschillende niveaus. Er is een kleermaker, maar ook een ‘meester’ die theaterkostuums of couturejurken maakt.”

Vorige maand opende wethouder Lodewijk Asscher (PvdA) in Amsterdam-Noord een naaiatelier waar ‘drop-outs’ werkervaring opdoen door prototypen en kleine collecties te maken. Er zijn plannen voor een nieuwe opleiding in mode en theaterkostuums, waar leerlingen de titel ‘meester’ krijgen. Het Muziektheater krijgt een leerbedrijf, want ook aan grimeurs en decorbouwers is een tekort. Het Mediacollege zorgde voor extra praktijkruimte, zodat ook in ‘nieuwe ambachten’, als het maken van computergames, genoeg vakmensen ontwerpen in de praktijk kunnen brengen.

Door alle aandacht kiezen langzaam steeds meer jongeren voor een ambachtelijk beroep, ziet Wim Ummels van het SVGB. „Maar de instroom is nog niet zoals gewenst.”

Het ambacht kampt met een imagoprobleem. Branchevoorzitter Piet Kalle: „Ouders van nu willen dat hun kinderen doorstuderen.” We waarderen handwerk niet meer, zegt ook Lucas Hendricks van de gemeente Amsterdam. „Jongeren denken alleen aan de timmerman. Maar je kunt ook games bouwen of meewerken aan een jurk van Jan Taminiau.”

Hendricks signaleert inmiddels wel het begin van een tegenbeweging. „Mensen willen weer weten waar hun product vandaan komt.” De biologische boer profiteert daar nu al van. Ook de vraag naar andere ambachtelijke producten zal stijgen, verwacht Hendricks. Hij adviseerde de gemeente Amsterdam daarom in crisistijd ambachten in te zetten om de jeugdwerkloosheid terug te dringen.

Verder ziet Hendricks voordelen voor de leefbaarheid van de stad. Vaklieden zijn vaak ondernemers met een winkel of atelier in hun eigen buurt. Die bedrijvigheid verbetert de sfeer. „Als in een wijk alleen maar mensen wonen, is er overdag, als zij werken, weinig te doen. Dat geeft een onveilig gevoel.” Hendricks oppert lagere huren, zodat vaklieden en winkeliers kunnen concurreren met grote supermarkten en terugkeren in de wijken.

Een goede ondernemer kan daar een succesvol ambachtelijk bedrijf opzetten, daarvan is Kalle overtuigd. „Wie zijn vak verstaat, heeft ook brood op de plank. Het ambacht bestaat zolang de wereld bestaat en zal ook nog bestaan als de wereld vergaat. We kunnen niet missen wat mensen maken.”