'Wat heeft Dogma nu helemaal opgeleverd?'

De Deense regisseur Henrik Ruben Genz maakte met ‘Terribly Happy’ een stijlvaste thriller. „De realiteit is te onrealistisch voor een film.”

Coen van Zwol

Een boertje van buiten, dat is de Deense regisseur Henrik Ruben Genz. Uit het gehucht Gram in Zuid-Jutland, waar schrijver Dunja Gry Jensen zijn overbuurjongen was. „Amsterdam en Kopenhagen hebben meer met elkaar gemeen dan met onze achterlijke streek”, zegt de filmmaker monter.

Genz (49) werd in 2000 genomineerd voor een Oscar voor beste korte film. Daarna benaderde cineastenclub Dogma ’95, die regisseurs uitdaagt één film te maken zonder franjes als kunstlicht en filmmuziek, hem voor een Dogmafilm. Genz kreeg geld, kantoor en secretaresse. En sloeg dicht. „Na een half jaar gaf ik op en voelde mij een mislukkeling.”

Zoiets leidt tot zelfkennis. „Ik ben een visuele regisseur, kom uit het design. De hoofdrolspeler in mijn afstudeerfilm was een graafmachine! Maar bij Dogma draaide alles om acteurs. De camera volgt hen, compositie betekent niets.” Genz stopt even. „En wat heeft dat opgeleverd? Anderhalve film die het aanzien waard zijn.”

Genz’ Terribly Happy is een stijlvaste thriller, beïnvloed door westerns en David Lynch. Een gemankeerde politieagent uit Kopenhagen wordt als veldwachter naar Zuid-Jutland gestuurd om daar af te koelen. Zoiets als Oost-Groningen: een mistige vlakte vol koeien en modder, drijvend op wantrouwen, zwijgen en sterke drank. De autochtonen hebben hun manieren om conflicten op te lossen. Agent Robert, een dissonant, raakt verstrikt in de relatiecrisis tussen een lokale woesteling en diens vrouw. Stapje voor stapje, niet geheel vrijwillig, wordt Robert een pilaar van de gemeenschap.

Genz baseerde zijn script op een roman van dorpsgenoot Jensen. Die is op feiten gebaseerd, zo staat op de filmrol. Genz: „Jensen dramatiseert een verhaal over zijn nichtje Dorthe, oom Jørgen en tante Ingerlise. Jørgen dronk zich vaak klem en sloeg Ingerlise dan in elkaar. Ons hele dorp wist dat, niemand stak een poot uit.” Tot Jørgen op een avond belde: er was iets mis. „Ze vonden Ingerlise met haar gezicht tot pulp geslagen. Het bed vol bloed, haar armen in rare bochten. De politieman en dokter besloten dat het hartstilstand was.” Iedereen was immers lid van de kaartclub. En wat moest er van Dorthe worden met Jørgen achter de tralies? Genz: „Maar die oplossing maakte de zaken erger. Met een aanklacht had Jørgen zes jaar achter de tralies gezeten, nu kwam hij nooit vrij. Hij was nergens welkom, raakte volkomen geïsoleerd en stierf vier jaar later.”

Jørgens dood illustreert iets over de relatie tussen feit en fictie, vindt Genz. Zijn inmiddels 14-jarige dochter Dorthe, altijd wrokkig om de dood van haar moeder, schold hem uit toen hij dronken thuiskwam, Jørgen haalde uit, maar slikte zijn kunstgebit in. „Dorthe heeft gewacht tot hij geen adem meer haalde, voordat ze de ambulance belde.” Dat voorval, zegt Genz, liet Jensen uit zijn roman weg en hij uit zijn film. „Zo’n kunstgebit, dat is in de studeerkamer bedachte zwarte humor, dat gelooft toch niemand? De realiteit is te onrealistisch voor een film.”

De dorpelingen van Terribly Happy zijn niet slecht, vindt hij. „Ze hebben hun manieren, de buitenstaander is het probleem. De film gaat over inburgering. Gooit iemand zijn integriteit overboord om zich aan te passen? Uiteraard.”