Scherpzinnig denker over menselijke beschavingen

Necrologie

Claude Lévi-Strauss was de grondlegger van het structuralisme en zorgde als antropoloog voor het besef dat culturen gelijkwaardig zijn.

Claude Lévi-Strauss is de meest originele en waarschijnlijk de invloedrijkste Franse denker van de vorige eeuw. Hij is de grondlegger van het Franse structuralisme. Claude Lévi-Strauss is in de nacht van zaterdag op zondag overleden, vier weken voor zijn 101-ste verjaardag, zo is gisteren bekendgemaakt. Hij verwierf bij het grotere publiek nooit zo’n brede faam als Foucault, Derrida of zijn generatiegenoot Sartre. Lévi-Strauss zag zichzelf meer als een wetenschapsman dan als een intellectueel in de typisch Franse traditie. Slechts één keer in zijn leven ondertekende hij een politiek manifest (voor de onafhankelijkheid van Algerije). De mei-revolutie van 1968 boezemde hem een diepe afkeer in.

Toch dankt Lévi-Strauss zijn populariteit in de eerste plaats aan een niet-wetenschappelijk boek. Wanneer in 1955 zijn reisverslag Het trieste der tropen verschijnt, is hij dankzij zijn baanbrekende proefschrift over De elementaire structuren van de verwantschap (1949) in antropologische kringen al een autoriteit. In Het trieste der tropen ontdekt ook het brede publiek een meeslepend verteller, scherpzinnig waarnemer en borend graver naar de grondtrekken van de menselijke beschaving. Het boek is gebaseerd op reizen van Lévi-Strauss midden jaren dertig naar de Braziliaanse binnenlanden en het wordt in 1955 direct als een meesterwerk herkend.

Het had weinig gescheeld of niet alleen het boek maar ook de antropoloog Lévi-Strauss was er nooit geweest. Na met lange tanden filosofie en rechten te hebben gestudeerd werd hij in 1935 bij toeval uitgezonden naar de universiteit van Sao Paulo, om de Brazilianen wegwijs te maken in de Franse sociologie. Nog in datzelfde jaar maakte hij zijn eerste expeditie naar oorspronkelijke indianenstammen. Pas daar begon zijn antropologische belangstelling te ontluiken.

Wanneer Lévi-Strauss dieper en dieper de Mato Grosso intrekt, blijkt de gecompliceerde tatoeagekunst van de indianen grotendeels intact. De patronen ervan lijken op speelkaarten en hebben – zo ontdekt Lévi-Strauss – een vergelijkbare functie. Ze geven de dragers hun plaats in een reeks: hun kaste. En tegelijk geven ze aan hoe de afzonderlijke ‘speelkaarten’ ( individuen) in het maatschappelijk verkeer tegen elkaar kunnen worden ‘uitgeruild’, opdat er een sociaal leven ontstaat.

Ordening krijgt een samenleving dus pas als er scheidslijnen getrokken worden, aldus Lévi-Strauss. Maar tegelijk wordt de samenhang slechts gegarandeerd doordat die lijnen worden overschreden: vooral in de fundamenteelste ‘ruil’ die een gemeenschap kent: het huwelijk. Daarom valt het incestverbod samen met het ontstaan van de beschaving. Exogamie, de plicht te trouwen met iemand van een andere groep, is daarvan het verlengstuk – maar dan moeten er eerst tussen of in clans grenzen worden bepaald.

In een notendop is dat het wetenschappelijk programma dat Lévi-Strauss zijn leven lang is blijven volgen. Betekenis krijgt de wereld pas dankzij een structuur, die haar verdeeld in onderling tegengestelde elementen. Binnen dat rasterwerk is het individu niet meer dan een ‘teken’, dat de hem toegeschreven plaats inneemt in de tekst die een cultuur is. Dus niet het individu geeft de wereld zijn betekenis, zoals het op dat ogenblik in Frankrijk populaire existentialisme wil. Het individu krijgt pas betekenis als deel van een netwerk dat hem overstijgt.

Wanneer Lévi-Strauss, die bij de Duitse inval in Frankrijk als Jood op het nippertje aan de bezetting ontsnapte en de oorlogsjaren in New York doorbracht, in 1947 in Frankrijk terugkomt, liggen zijn wetenschappelijke inzichten dus al op ramkoers met het existentialistische denken. Toch zal het nog tot 1962 duren voor hij in zijn boek Het wilde denken een frontale aanval opent op Sartre. Tien jaar later is het intellectuele klimaat in Frankrijk al geheel van het structuralisme doortrokken. Maar Lévi-Strauss’ wetenschappelijke eisen zijn zo streng dat hij vrijwel geen van de ‘structuralistische’ denkers zijn programma waardig vindt.

In de jaren zestig werkt Lévi-Strauss aan zijn grote vierdelige studie Mythologieën (1964-1971), waarin hij aan de hand van honderden mythologische vertellingen probeert te doen wat hij eerder met de sociale orde en verwantschapsstructuren heeft gedaan. Ook mythen delen volgens hem op symbolische wijze de wereld in volgens tegengestelde categorieën: hemel-aarde, man-vrouw, rein-onrein). Al die verhalen moeten gelezen worden als één grote partituur, zodat het onderliggende patroon naar voren komt.

Vanaf 1959 is Lévi-Strauss hoogleraar aan het belangrijke Collège de France (waar hij weigert de kandidatuur van Foucault voor eenzelfde post te steunen). In 1973 wordt hij ook opgenomen te midden van de ‘onsterfelijken’ van de Académie française.

Als wetenschapper wiens enige religie de rede is, blijft hij tot aan het eind van zijn leven de drager van een negentiende-eeuws kennisideaal. Maar tegelijk is hij te diep onder de indruk van de culturen die hij bestudeert om hen weggevaagd te willen zien door de westerse beschaving. Hij is een overtuigd cultuurrelativist die iedere beschaving principieel gelijkwaardig acht aan alle andere. In een ophefmakende rede voor de Unesco pleit hij er in 1971 dan ook voor dat de verschillende culturen elkaar niet té na komen, opdat de één de ander niet vernietigt.

Zelf had Lévi-Strauss de dubbelzinnigheid van zijn eigen wetenschap al aan den lijve ondervonden. Met de onverholen melancholie die al spreekt uit de titel mijmert hij in Het trieste der tropen over de wrange ironie waarmee hij als antropoloog-ontdekkingsreiziger de ondergang van de door hem bestudeerde beschavingen waarschijnlijk alleen maar bespoedigt. Toch hoopt hij dat de antropologie het westerse denken iets zal kunnen leren. Antropologen zijn zich als geen ander bewust van de paradoxen die iedere ontmoeting tussen culturen met zich meebrengt. Daarom weten zij dat drastische antwoorden daarop het allergrootste kwaad zijn.

Juist de wetenschap afstand te nemen van een hoogmoedig humanisme, zal – zo hoopt hij – de mensheid ontvankelijk maken voor het feit dat alle culturen teruggaan op één onderliggend patroon, dat op zulk een fascinerende wijze gestalte heeft gekregen in de veelkleurige rijkdom van de menselijke beschavingen.