PVV en extreem-rechts

Zijn de PVV en haar leider Geert Wilders te kwalificeren als extreem-rechts? Over die vraag liepen de gemoederen de afgelopen dagen hier en daar hoog op. Net als over veronderstelde conclusies dat Wilders de staatsveiligheid zou bedreigen en de democratie zou ondermijnen.

Veronderstelde conclusies, want allerlei uitlatingen werden gedaan op basis van een rapport dat nog moet verschijnen en dat nog door vrijwel niemand is gelezen, ook niet door degenen die er het hoogste woord over voerden. Dat leidde tot verbale vervuiling, waarbij de hoofdrolspeler zelf voor het dieptepunt zorgde door zijn tegenstanders, D66-leider Pechtold en minister Van der Laan (Integratie, PvdA) te omschrijven als „politieke handlangers” van Mohammed B., de moordenaar van polemist Theo van Gogh.

Het is zeer te prefereren dat met name politici zich uitlaten aan de hand van een rapport dat al wél verschenen is en over feiten en conclusies die daarin vermeld staan. Zolang het niet zover is, past hen op dit punt zwijgzaamheid.

Intussen sprak een van de drie wetenschappers, die in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken werken aan een onderzoek naar radicalisering en extremisme (niet alleen van ‘rechts’), tegen dat twee van de drie genoemde conclusies in het conceptrapport voorkomen. De derde wel: de PVV en Wilders vallen onder de noemer ‘extreem-rechts’.

Daarmee bouwen de wetenschappers voort op de achtste Monitor Racisme & Extremisme die de Anne Frank Stichting en de Universiteit Leiden vorig jaar december uitbrachten. Daarin wordt de PVV als extreem-rechts bestempeld, onder meer op basis van haar oriëntatie op ‘het eigene’, haar afkeer van ‘het vreemde’ (xenofobie), van politieke tegenstanders en van de gevestigde politiek in het algemeen.

Maar in de monitor wordt een nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen twee categorieën extreem-rechts: de „nationaaldemocraten” en de „raciale revolutionairen”. Volgens deze rapportage, „een tussenbalans”, aldus de onderzoekers, is de PVV in te delen bij de nationaaldemocraten, omdat zij binnen de parlementaire democratie wenst te opereren, geweld afwijst en haar afkeer van ‘het vreemde’ niet op ‘ras’ baseert. Wilders’ woede over de kwalificatie ‘extreem-rechts’ is gewekt door de connotatie van NSB-achtige partijen die ermee wordt opgeroepen. Maar in de monitor wordt hij juist niet ingedeeld bij de ‘raciale revolutionairen’. Integendeel: in die kringen wordt hij soms fel aangevallen. Wilders is het tegendeel van antisemitisch. Maar een dergelijk onderscheid is vermoedelijk een nuance te veel in het geschreeuw dat in Nederland weleens debat wordt genoemd.

Intussen doet de vraag zich voor: wat is de praktische zin van al deze kwalificaties? Begrippen als ‘rechts’ en ‘links’ zijn tegenwoordig als politiek onderscheid maar beperkt bruikbaar. En overigens: een partij met verwerpelijke standpunten moet niet door middel van etikettering worden bestreden, maar met argumenten.