Praten is makkelijk maar spreken is een kunst

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waaraan moet een goed gesprek voldoen?

Uit onderzoek is gebleken dat mensen gemiddeld twintig tot dertig procent van de tijd dat ze wakker zijn besteden aan praten. Daarmee onderscheiden we ons uitdrukkelijk van andere diersoorten: geen enkel dier communiceert zo veel met soortgenoten als wij. Op televisie is dat niet anders. Van Pauw & Witteman tot De Wereld Draait Door; van Rondom Tien tot Het Elfde Uur; van The Oprah Winfrey Show tot Nova – er wordt heel wat afgepraat op de buis. Maar de vraag is: worden er ook echt gesprekken gevoerd?

Misschien een beetje flauw om hier het geflopte programma De Tafel van Vijf te noemen, maar dat was een ultiem voorbeeld van een talkshow waar veel werd gepraat, maar nauwelijks met elkaar werd gesproken. Talloze onderwerpen passeerden in moordend tempo de revue, zonder dat het echt tot dialogen leidde. De interviewer wierp af en toe een kwestie op, waarover de sprekers vervolgens individueel hun mening gaven – op elkaar ingaan gebeurde nauwelijks.

De Tafel van Vijf staat niet op zichzelf. Ook in belangrijke actualiteitenrubrieken wordt voortdurend door elkaar of langs elkaar heen gepraat, in plaats van mét elkaar gesproken. Schrijver P.F. Thomése stelde afgelopen maand in NRC Handelsblad dan ook dat er sprake is van een „communicatiecrisis”. Iedereen praat, maar niemand luistert, luidde kort samengevat zijn analyse. „Woorden zijn in toenemende mate laatste woorden, bedoeld om de ander, iedereen de mond te snoeren […] Het is spreken alsof men alleen is.”

Die constatering is niet nieuw. Schrijver Stephen Miller wierp in zijn boek Conversation – A History of a Declining Art (2006) al eerder de stelling op dat mensen „steeds minder echte gesprekken voeren”, met name in de media. Gesprekken voeren heeft volgens Miller plaatsgemaakt voor ‘je zegje doen’ – zonder de intentie om werkelijk ideeën uit te wisselen.

De vraag blijft echter: waaraan moet een goed gesprek dan voldoen? Opvallend genoeg is daar in de filosofie maar weinig aandacht voor. Zeker in verhouding tot de hoeveelheid tijd die mensen besteden aan gesprekken voeren, is de hoeveelheid theorie erover schaars. De taalfilosofie heeft zich eeuwenlang vooral gericht op onderwerpen als betekenis en grammatica, maar zelden op de manieren waarop taal gepraktiseerd wordt. En filosofen die zich wel met taalgebruik bezighielden, schreven – met uitzondering van Ludwig Wittgenstein – vooral over de argumentatieve kant ervan, zoals debattechnieken en het geven van goede speeches.

Wel zijn sommige filosofen beroemd geworden om hun uitzonderlijke talent voor het voeren van gesprekken. Het bekendste voorbeeld is de Griekse wijsgeer Socrates (469-399 v. Chr.). Niet voor niets bestaan de meeste boeken van zijn leerling Plato uit dialogen, met Socrates als hoofdpersoon. Diens gesprekstechnieken zijn zelfs naar hem vernoemd: de zogeheten socratische dialoog. Maar echt een theorie hield Socrates er niet op na – het was vooral een kwestie van de juiste vragen stellen dat hem een begenadigd gesprekspartner maakte.

De Romeinse dichter Cicero (106-43 v. Chr.) was de eerste die het converseren in een theoretisch kader probeerde te plaatsen. In zijn essay Over verplichtingen constateerde hij met enige verbazing dat niemand ooit „de basisvoorwaarden voor het voeren van dagelijkse gesprekken had opgesteld”. Cicero deed daarom een aantal suggesties, zoals: „Praat nooit over jezelf”; „onderbreek nooit je gesprekspartner” en „spreek lichtzinnig over lichtzinnige onderwerpen en serieus over serieuze”. Het mag duidelijk zijn dat Cicero, afgaande op deze regels, weinig gecharmeerd zou zijn geweest van de discussies die tegenwoordig op televisie worden gevoerd.

Het duurde lang voordat iemand Cicero’s voorbeeld zou volgen. De Franse essayist Michel de Montagne schreef wel over het belang van goede gesprekken (hij noemde het „de vruchtbaarste oefening van de geest”), maar het was de Amerikaanse academicus Milton Wright die pas in de 20ste eeuw een diepgravende analyse van gespreksvoering maakte. In die analyse, getiteld The Art of Conversation (1936), stelt Wright dat de belangrijkste voorwaarde voor een goed gesprek „oprechte wederzijdse interesse” is, „ofwel in het onderwerp, of in de persoon zelf”. Dat klinkt als een open deur, maar juist daaraan lijkt het op televisie vaak te ontbreken.

Dat ligt vooral aan de formats van de talkshows. De meeste gesprekken op tv zijn semi-gescript: redacties stellen voor een groot deel van tevoren vast wat er wanneer gezegd gaat worden. Oprechte interesse is dus niet nodig: de meeste vragen (en antwoorden) staan al min of meer vast. Gasten worden bovendien vaak uitgenodigd op grond van hun standpunt, niet zozeer vanwege hun affiniteit met het onderwerp. Daarbij wordt van de interviewer verwacht dat hij vooral scherpe, kritische vragen stelt. Interessevragen als ‘hoe bedoelt u dat precies?’ of ‘kunt u daar meer over vertellen?’ worden daardoor al gauw als coulant of onkritisch beschouwd.

Ten tweede, zegt Wright, zijn „pauzes even belangrijk in gesprekken als in muziek”. Pauzes zijn op televisie echter uit den boze, uit angst dat kijkers verveeld raken en weg zappen. Gasten conformeren zich hier onbewust aan: je ziet zelden mensen twijfelen of nadenken tijdens een gesprek.

Tijdsdruk speelt daarbij een grote rol, zeker voor politici. Zij denken hun zendtijd zo effectief mogelijk te moeten aanwenden voor hun eigen standpunt en laten dus – opzettelijk én noodgedwongen – zo min mogelijk ruimte voor conversatie. Dat gaat immers allemaal van de tijd af. Doordat er vaak andere (tafel)gasten bij zitten die zelf weinig belang hebben bij wat er besproken wordt, is de kans op interrupties of onnodige zijwegen bovendien erg groot.

Ten derde, zegt Wright, zijn goede gesprekken niet per definitie „instrumenteel” – ze hoeven niet altijd een extern doel te dienen. Anders gezegd, goede conversatie kan ook een doel op zichzelf zijn. Op televisie geldt dat meestal niet: veel gesprekken werken impliciet naar een bepaald doel toe, zoals het laten zien van een fragment, het ontlokken van een controversiële uitspraak of het uitkomen op een eenduidige conclusie. Op die manier wordt het gesprek slechts een middel.

Vooral gesprekken in De Wereld Draait Door lijden daaraan. Hoewel Matthijs van Nieuwkerk een goede interviewer is, die veel interesse in zijn gasten toont, hebben zijn vragen ook altijd een extreem sturend karakter, dat ervoor moet zorgen dat het gesprek binnen zes minuten minimaal twee of drie televisiegenieke ‘hoogtepunten’ kent, zoals een onverwachte bekentenis of een scherpe oneliner. Daarom formuleert Van Nieuwkerk ook meestal in termen van superlatieven: hij vraagt altijd naar ‘hoogte- en dieptepunten’, of naar het ‘mooiste’, ‘vreemdste’, of ‘indrukwekkendste’ voorbeeld.

Nu zou het onzinnig zijn om dat als groot probleem te zien: De Wereld Draait Door is immers een amusementsshow zonder pretenties. Praatprogramma’s hoeven niet altijd serieus te zijn om goed te zijn: Voetbal International bijvoorbeeld is in zijn genre een uitstekende talkshow, met oprecht geïnteresseerde en goed geïnformeerde sprekers en – nog belangrijker – zonder uitgebreid script. Johan Derksen, René van der Gijp, Hans Kraay jr. en Wilfred Genee spreken echt met elkaar en krijgen daar ook alle tijd voor. Dat levert, zoals Kraay zelf onlangs terecht stelde, „eerlijke televisie” op.

Des te bezwaarlijker is het echter dat in talkshows die wél als taak hebben de burger te informeren over de samenleving authentieke gesprekken zo zeldzaam zijn. Het grootste bezwaar is door niemand beter verwoord door de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky (1928) in zijn boek Manufacturing of Consent. Daarin beschrijft hij hoe tv-formats leiden tot zogenoemde „concision”: de beperking van het publieke debat tot ideologisch geaccepteerde conventies.

Daarmee bedoelt Chomsky: doordat bijna alle discussies in de media volgens vooropgezette richtlijnen en binnen een zeer beperkt tijdsbestek worden gevoerd, is het onmogelijk om radicaal andere perspectieven op een zaak aan te dragen. Andersoortige opvattingen vereisen namelijk veel meer tijd en ruimte om goed uit de doeken te doen dan algemeen geaccepteerde opvattingen. Tv-formats geven die tijd en ruimte doorgaans niet. „Daardoor”, zegt Chomsky, „komen mensen met een afwijkend perspectief automatisch over alsof ze van Venus komen.” Het resultaat: een publiek debat waarin het „herkauwen van conventionele wijsheden” de norm is, aldus Chomsky.

Wie vaak de discussies op televisie volgt, zal daarin zeker iets herkennen. Zelden wordt er echt iets nieuws gezegd. Zoals Milton Wright al zei: „Praten is niet moeilijk, maar een gesprek voeren is een ware kunst.” Hopelijk wordt dat ooit een conventionele wijsheid in Hilversum.