Origineelste Franse denker

Lévi-Strauss is misschien wel de invloedrijkste Franse denker van de vorige eeuw.

Tijdens expedities in Brazilië bestudeerde hij de culturen van indianen.

De antropoloog Claude Lévi-Strauss gold als de aartsvader van het Franse structuralisme. Hij was de origineelste en waarschijnlijk de invloedrijkste Franse denker van de vorige eeuw. Toch verwierf hij bij het grotere publiek nooit zo’n faam als Foucault, Derrida of zijn generatiegenoot Sartre. Meer dan als een intellectueel in de typisch Franse traditie beschouwde Lévi-Strauss zichzelf als een wetenschapsman.

Toch dankt ook Lévi-Strauss zijn populariteit in de eerste plaats aan een niet-wetenschappelijk boek. Wanneer in 1955 zijn reisverslag Het trieste der tropen verschijnt, is hij dankzij zijn baanbrekende proefschrift over De elementaire structuren van de verwantschap (1949) in antropologische kringen al een autoriteit. Maar pas in dit verslag van de reizen die hij vijftien jaar eerder naar de Braziliaanse binnenlanden had ondernomen, toont hij zich voor het brede publiek een meeslepend verteller, scherpzinnig waarnemer en borend graver naar de grondtrekken van de menselijke beschaving.

Het trieste der tropen wordt onmiddellijk als meesterwerk herkend. Toch had het weinig gescheeld of zowel het boek als de antropoloog Lévi-Strauss was er nooit geweest. Na met tegenzin filosofie en rechten te hebben gestudeerd, werd hij in 1935 bij toeval uitgezonden naar de universiteit van São Paulo, om de Brazilianen wegwijs te maken in de Franse sociologie. Nog in datzelfde jaar maakte hij zijn eerste expeditie naar de gebieden waar oorspronkelijke indianenstammen wonen. Daar begon zijn antropologische belangstelling te ontluiken.

Wanneer Lévi-Strauss dieper en dieper de Mato Grosso intrekt, blijkt de gecompliceerde tatoeagekunst van de indianen nog grotendeels intact. De patronen ervan lijken op speelkaarten en hebben – zo ontdekt Lévi-Strauss – een vergelijkbare functie. Ze geven de dragers ervan hun plaats in een reeks: hun kaste. En tegelijk geven ze aan hoe de afzonderlijke ‘speelkaarten’ (de individuen) in het maatschappelijk verkeer tegen elkaar kunnen worden ‘uitgeruild’, opdat er een sociaal leven ontstaat.

Ordening krijgt een samenleving dus pas doordat er scheidslijnen getrokken worden, aldus Lévi-Strauss. Maar tegelijk wordt de samenhang ervan slechts gegarandeerd doordat die lijnen worden overschreden: vooral in de fundamenteelste ‘ruil’ die een gemeenschap kent: het huwelijk. Daarom valt het incestverbod volgens hem samen met het ontstaan van de beschaving.

In een notendop is daarmee het wetenschappelijk programma gegeven dat Lévi-Strauss zijn leven lang is blijven volgen. Betekenis krijgt de wereld pas dankzij een structuur, die haar uiteenlegt in onderling tegengestelde elementen. Binnen dat rasterwerk is het individu niet meer dan een ‘teken’, dat de hem toegeschreven plaats inneemt in de tekst die de cultuur is. Het is dus niet het individu dat de wereld zijn betekenis geeft, zoals het op dat ogenblik in Frankrijk nog altijd populaire existentialisme wil. Het individu krijgt zelf pas betekenis doordat het is opgenomen in een netwerk dat hem overstijgt.

In de jaren zestig werkt Lévi-Strauss aan zijn grote vierdelige studie Mythologieën (1964-1971). Ook de mythen delen volgens hem op symbolische wijze de wereld in volgens tegengestelde categorieën: hemel-aarde, man-vrouw, rein-onrein, etc.). Al die verhalen moeten dan ook gelezen worden als één grote partituur, opdat daaruit het onderliggende patroon naar voren komt.

Als wetenschapsman wiens enige religie de rede is, blijft hij zijn leven lang de drager van een negentiende-eeuws kennisideaal. Maar tegelijk is hij te diep onder de indruk van de culturen die hij bestudeert om hen weggevaagd te willen zien door de westerse beschaving. Hij is een overtuigd cultuurrelativist die elke beschaving principieel gelijkwaardig acht aan alle andere. In een spraakmakende rede voor de Unesco pleit hij er in 1971 dan ook voor dat de verschillende culturen elkaar niet té na komen, opdat de één de ander niet vernietigt.

Zelf had Lévi-Strauss de dubbelzinnigheid van zijn wetenschap al aan den lijve ondervonden. In Het trieste der tropen mijmert hij over de wrange ironie waarmee hij als antropoloog/ontdekkingsreiziger de ondergang van de door hem bestudeerde beschavingen waarschijnlijk bespoedigt. Toch hoopt hij dat de antropologie het westerse denken iets zal kunnen leren. Omdat zij zich als geen ander bewust is van de paradoxen die elke ontmoeting tussen culturen met zich meebrengt, weet zij ook dat drastische antwoorden daarop in hun eenvoud het grootste kwaad zijn.

Juist de wetenschap die geleerd heeft afstand te nemen van een hoogmoedig humanisme, zal – zo hoopt hij – de mensheid ontvankelijk maken voor het feit dat alle culturen teruggaan op één onderliggend patroon, dat op zulk een fascinerende wijze gestalte heeft gekregen in de veelkleurige rijkdom van de menselijke beschavingen.