Heilige hapjes

Eten is heilig voor Indische mensen, en misschien wel daarom allerminst onproblematisch. Als zeventienjarige, onhandelbare puber werd ik in de kost gedaan bij familie van mijn vaders tweede vrouw, ook Indisch. Eten was daar verheven tot kunst.

Er waren koempoelans, voor de grote familiebijeenkomsten, en selamatans, om iets te vieren. Bij die gelegenheden stonden mijn tantes een week in de keuken en bakten een paar dagen voor het feestmaal versnaperingen voor de buren. Ik moest de galerij af om kleine hapjes langs te brengen en te vertellen dat er weer ‘Indisch gekookt’ zou worden.

„Mag ik u dit van mijn tante aanbieden? Morgen gaat ze weer bakken.” Genadig wachtend op hun ‘geen probleem’ en dodelijk verlegen door de walm van trassi en knoflook die mij omhulde.

Eindeloos waren de gesprekken over ingrediënten („Er is weer verse gandaria”.), adressen („Weet je waar je tahoe moet kopen?”) en recepten („Nee, daar juist nooit laos in”.)

Ook van moederszijde kende ik deze onderwerpen. Mijn oma dreef begin jaren vijftig een Indisch eethuisje in Den Haag. Het was toen moeilijk aan tropische ingrediënten te komen. Er was bijvoorbeeld geen temoe koentji (sleutelwortel). Volgens oom Ben, aangetrouwd van de Ambonese kant, kon je daarom nooit sajoer bajem maken. Het was de sleutelwortel die het gerecht maakte tot wat het was.

Mijn oma bestreed dat. Er zaten maïskorrels in, zelfs trassi en uiteraard verse spinazie. Het kon zonder temoe koentji en Hollanders proefden het verschil toch niet. Met dat laatste was oom Ben het eens. Maar dan moest je het toch anders noemen. Ze kwamen er niet uit. Sajoer bajem bleef op de menukaart staan, zonder sleutelwortel.

De vraag wat echt was, werd vaak gesteld. Die vraag gold ook onszelf. Wanneer was je nog Indisch? Als je op je hurken kon zitten (djongkok)? Als je een appel van je af schilde? Je duim op je onderarm kon drukken? Je bovenste vingerkootjes kon buigen? Ngobrol’ (kletsen) goed kon uitspreken? Het was een spelletje, echt belangrijk was dat allemaal niet. Eten, ja, dat was belangrijk.

Vele familiegesprekken zouden nog volgen over wat een gerecht maakte tot wat het was. Was erwtensoep met rijst, lalap (groenten) en sambal nog erwtensoep? Mocht je het over ‘jachtschotel’ hebben als er djamoer koeping (muizenoortjes) en sedep malem (eetbare lelie) in zaten? Wanneer mocht een gerecht welke naam dragen? Nooit werd gezegd: het doet er niet toe of het ‘echt’ is, als het maar lekker is.