Turner Prize laat publiek denken

De belangrijke Turner Prize voor beeldende kunst heeft dit jaar vier verrassende kandidaten. Ze presenteren conceptuele kunst, maar dan met beelden in plaats van ideeën.

Bij het bekijken van de Turner Prize-tentoonstelling van dit jaar dringt zich al snel de parabel op van de olifant en de blinden. In die parabel betreedt een olifant het land van de blinden. Die beginnen het beest meteen te bevoelen; al snel ontstaat er onenigheid. Volgens de ene blinde is een olifant net een slang, een tweede heeft het over vlezige bomen en een derde beweert dat een olifant maar nietig is – heb je die staart gevoeld? De moraal van dit verhaal is dat het lastig is om een groot idee te bevatten als je maar een deel daarvan kunt bevatten – en dat is precies waar de genomineerden van dit jaar zich mee bezig houden. Hun werk toont steeds een deel van een geheel dat zorgvuldig buiten beeld blijft. Wat meteen weer interessante dilemma’s biedt. Wat voor conclusies trek je als toeschouwer bijvoorbeeld uit dat besef van onvolledigheid? Leg je je neer bij je beperkingen? Of geef je je over aan je fantasie?

Zo’n inhoudelijk dilemma is een interessante wending voor de prijs. Dat was nodig ook, want ‘de Turner’, opgericht in 1984, dreef tot voor kort vooral op zijn reputatie als de aanjager van de carrière van de Young British Artists: Damien Hirst, Sarah Lucas, Tracey Emin. Maar sinds die hype voorbij is, leek de prijs te worstelen met zijn bestaansrecht. Soms creëerde men een rel (in 2003 toen de ‘travestiete pottenbakker’ Grayson Perry won), andere jaren verzandde de prijs in een vrij saaie, semi-intellectualistische poging serieus te worden genomen (vorig jaar). In dat opzicht is de aflevering van dit jaar een mooie, vrij beschaafde middenweg. Van de vier genomineerden heeft Roger Hiorns al enige faam opgebouwd als een slimme confrontatiezoeker, zijn Richard Wright en Enrico David prikkelend, maar ook gedegen en is Lucy Skaer de outsider. Allemaal kunnen ze het prijzengeld (40.000 pond) en de publiciteit goed gebruiken.

Maar dat competitie-element vergeet je vrij snel doordat de jury een interessante inhoudelijke tendens signaleert. Die laat zich nog het beste samenvatten als kunst die de toeschouwers zelf beelden in zijn hoofd wil laten maken – conceptuele kunst, maar dan meer met beelden dan met ideeën. Degene die zich daar het meest aan onttrekt is Enrico David, die op een soort catwalk een vrij traditionele conceptuele installatie exposeert vol verwijzingen naar theater, dubbele identiteiten en verborgen seksualiteit – maar die ook net te hermetisch is om prikkelend te zijn. Dat doen de andere drie beter. Bij Lucy Skaer bijvoorbeeld, bestaat haar pièce de résistance uit het skelet van een kloeke walvis. Alleen: die kun je niet goed zien omdat Skaer allemaal schotten om het beest heeft geplaatst die het zicht deels belemmeren. Dat werkt goed: doordat je het beeld niet cadeau krijgt, ga je als toeschouwer zoeken, beter kijken, en proberen het beest in je hoofd weer in elkaar te zetten – wat maar half lukt, maar je wel het gevoel geeft dat Skaer je een intense ‘kijkervaring’ schenkt.

Eenzelfde tactiek van lokken en suggereren wordt ook gebruikt door Richard Wright. Wright is al jaren bekend als de maker van subtiele, abstracte wandschilderingen die zijn gemaakt met veel gevoel voor detail. Aan Wrights schilderingen zit vaak ook een defaitistisch kantje: hoe mooi ze ook zijn, als de tentoonstellingen waarvoor hij ze maakt zijn afgelopen gaat onherroepelijk de witkwast er overheen, zodat ze vooral in het hoofd van de toeschouwers blijven voortbestaan. Met dat mechanisme speelt Wright ook bij de Turner Prize. In zijn zaal vulde hij een wand met een barokke schildering in bladgoud waar je als toeschouwer meteen naartoe wordt gelokt. Alleen: aan de overkant, boven de ingang, maakte Wright er nog een, klein en rood, die iets over die pompeuze goudlap lijkt te zeggen. Maar hoe overzichtelijk dat ook lijkt, als toeschouwer kun je ze nooit tegelijk bekijken, alle eventuele communicatie moet in je eigen hoofd. En dat is precies waar het Wright om lijkt te gaan.

Als het gaat over suggestie en onzichtbaarheid, gaat Roger Hiorns nog verder. Dat begint met twee weelderige, schijnbaar aan de natuur ontleende wandbeelden, waarbij de tekstbordjes vermelden dat er hersens in zijn verwerkt – die je dus niet kunt zien, net zoals bij dieren of bij mensen. Nog verder gaat Hiorns in een groot, grijs, bijna vloervullend ‘poederbeeld’. Op het eerste gezicht stelt het niks voor, tot je leest dat het is gemaakt van een vermalen ‘atomised passenger aircraft engine’. En daar begint je fantasie al te draaien. Wat is dat in vredesnaam voor motor? Hoe zag ie er oorspronkelijk uit? Ondertussen is het beeld grijs en kwetsbaar als een wateroppervlak, wat weer heel mooi contrasteert met dat idee van een motor – die ondertussen in je hoofd nog druk aan het malen en aan het knarsen is. Dat werkt prachtig: als kijker ga je zoeken, piekeren en verbanden leggen tussen de verschillende vormen van suggestie, waardoor je bijna vergeet dat het hier ook nog om een prijs gaat. Een goede Turner-aflevering dus: de toeschouwer is, al tastend, de grootste winnaar. Wie van de kunstenaars de prijs wint, maakt de jury op 7 december bekend.

Turner Prize. T/m 3 januari in Tate Britain, Millbank, Londen. Dagelijks 10-17.50u. Inl: tate.org.uk