Toen hij hier kwam wonen at, sprak en liep hij niet

In Nederland zijn bijna 50.000 kinderen uit huis geplaatst. Duizenden wachten nog op een plaats.

Dus kijkt de politiek nu naar het ‘gezinshuis’.

De jongste in huis, van zeven, zat gisteren in zijn eentje een pak koeken leeg te eten in de keuken, kletskoppen. Dat had iets ironisch. Het jongetje spreekt namelijk niet. Nooit, geen woord.

Ook om een andere reden worden ze in het ‘gezinshuis’ van Frans en Miriam Erlings vrolijk van dit voorval. Het jongetje – tenger ventje, kort bruin koppie – at bijna niet, toen hij hier vier jaar geleden kwam wonen. Hij at niet, sprak niet, liep niet, kwam nauwelijks buiten. Hij zat alleen in een hoek.

Van de 50.000 uit huis geplaatste kinderen wonen er 22.000 kinderen in een pleeggezin, 25.000 kinderen wonen er in een instelling, van wie niet meer dan 700 in een ‘gezinshuis’. Maar het fenomeen groeit in de belangstelling van beleidsmakers, omdat het kleinschalig en stabiel is – precies wat kinderen die bij hun ouders zijn weggehaald nodig hebben. Het kost ook minder dan een instelling, die 24 uur per dag wordt bestierd door professionals.

Vanavond begint in de Tweede Kamer het debat over de begroting ‘jeugd en gezin’ van minister Rouvoet. Het debat zal gaan over tekortschietende bestuurlijke bevoegdheden, ‘restwachtlijsten’ en ‘verkokering in het veld’ – allerlei verklaringen voor de ineffectiviteit en stroperigheid van veel jeugdhulpverlening.

In dit nieuwbouwhuis in Houten zie je hoe jeugdzorg wél kan werken. Hier heeft het zwijgzame jongetje leren eten, lopen en spelen. Naar de wc gaat hij nog niet, hij draagt een luier. In zijn kamer is een grote, provisorische commode getimmerd. Hij lijkt autistisch, maar de psychiater wacht met die diagnose omdat het jongetje wel communiceert. Hij kijkt je aan, zijn ogen lachen. Bovendien mogen alle inwoners van het gezinshuis hem knuffelen, wat atypisch is voor een autist. Die inwoners zijn Frans en Miriam – zelf al opa en oma – en nog vier uit huis geplaatste kinderen. Meisjes, van achttien, veertien, tien en acht.

Gezinshuizen zijn óók omstreden, omdat er amper toezicht op is. Inspecteurs komen er niet over de vloer. Afgelopen zomer werden twee gezinshuizen na aanhoudende klachten van ouders onverwachts bezocht door de inspectie. Die schrok zo van de chaos (één stagiair zorgde 48 uur voor tien kinderen), dat de twee huizen onmiddellijk werden gesloten. Twintig kinderen werden weggehaald. Om die reden wil Kamerlid Joël Voordewind (ChristenUnie) dat jeugdzorginstellingen verplicht toezien op het reilen en zeilen van gezinshuizen waar zij kinderen onderbrengen. „Gezinshuizen die goed functioneren zijn een mooi alternatief voor een groot tehuis.”

Miriam en Frans „zouden willen” dat de inspectie eens langs kwam – zo goed loopt het hier. Ze zijn aangesloten bij jeugdzorginstelling Joozt, die instaat voor de kwaliteit van hun zorg. Ze zijn beiden bijna fulltime met het gezinshuis bezig, dat ze als bedrijfje hebben opgezet op grond van een franchiseformule van de stichting Gezinshuis.com. Bijna 200 echtparen meldden zich de afgelopen twee jaar bij die organisatie aan, in de hoop ook ‘gezinshuis’ te worden, vertelt directeur Gerard Besten van Gezinshuis.com. Daarvan heeft hij 150 op grond van zijn ervaring in de jeugdzorg meteen afgewezen. Gezinsouder zijn lijkt romantisch, maar is in de praktijk nogal zwaar.

Neem de nachten. Pas sinds kort slapen Frans en Miriam door. Kruipt één van de kinderen níét middenin de nacht bij hen in bed. Het meisje van acht – klein, blond met scherpe blauwe ogen – deed dat heel lang. Ze werd ’s nachts zo bang wakker, dat ze niet alleen kon blijven. Ze had op te veel adressen gewoond waar haar paniek ’s nachts werd genegeerd. Ze woont hier nu tweeënhalf jaar, pas sinds een half jaar slaapt ze de hele nacht in haar eigen bed op haar eigen kamer.

Vanavond eten ze frites, zoals elke vrijdag. Het meisje van veertien dekt de reusachtige eettafel, Frans gaat naar de snackbar met de oudste, een slanke tiener met lange rode krullen. Het meisje van acht is net bekomen van een lachstuip. Er is bezoek en dan weet ze zich moeilijk een houding te geven. Ze wil zien wat het bezoek even sms’t aan een collega – „ben je bloot?”, oppert ze. Frans en Miriam waarschuwen herhaaldelijk: „Gedráág je”. Al met al gedraagt ze zich vandaag wel, zegt Miriam. Met haar pleegzus van tien speelt ze na school een bordspelletje en later kijken ze televisie. Ze verheugt zich luidruchtig op de patatjes die zo komen.

In haar eerste levensjaar woonde het meisje van acht hier ook, om af te kicken van de verslaving die ze had opgelopen in de baarmoeder. Haar moeder had in drie jaar tijd vier kinderen gekregen. Na een jaar recupereren bij Frans en Miriam ging ze naar een pleeggezin waar ze verder zou kunnen opgroeien. Maar dat liep spaak. Miriam: „Uiteindelijk kwam ze weer hier en nu blijft ze.” Dát is voor kinderen één van de grote voordelen van een gezinshuis. Als het ‘klikt’, kan een kind er altijd terugkeren of blijven, omdat gezinshuisouders plek voor het kind máken. Instellingen bieden zulke flexibiliteit zelden. Miriam: „Het geeft haar wel een goed gevoel dat ze hier óók als baby woonde. Dat wij babyfoto’s van haar hebben, is belangrijk.”

Frans en Miriam huren een paar dagdelen per week externe hulp in, bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van het zwijgzame jongetje. Hij gaat maar halve dagen naar school. Aan het geld dat ze per kind krijgt van Joozt, houdt Miriam een salaris over. Frans is vervroegd gestopt als brandweerofficier, met behoud van een deel van zijn salaris. Hij ziet eruit als een brandweerman; type grote mond, klein hartje. Hij laat al het soebatten met „jeugdzorgtypes” over aan zijn vrouw, vertelt hij. Hij ís er gewoon voor de kinderen.

Miriam, die logopedie studeerde, schrijft de verslagen en regelt de afspraken met voogden, ouders en behandelaars. Een vrouw die sympathiek overkomt. Het huis in Houten, met zes slaapkamers, hadden Frans en Miriam al voordat ze officieel gezinshuis werden. Hun eigen kinderen zijn volwassen.

Gezinshuizen zijn geen pleeggezinnen. De kinderen die er wonen zijn moeilijker op te voeden, ze hebben meer ‘bagage’ dan pleegkinderen. Miriam en Frans hadden al jaren ‘intensieve pleegkinderen’ – sommige wonen er nog steeds – dus ze hebben wat ervaring. Toch worden zij ook gecoacht door iemand van Gezinshuis.com. „Soms scheldt één van de kinderen je dagen achtereen verrot. ‘Ik haat je, ik wil hier weg!’ De coach leert ons ermee omgaan.” Frans en Miriam vinden dat ze anderen moeten helpen in het leven.

Het kost elk kind zo’n twee jaar om te settelen in een gezinshuis, zegt Frans. En telkens als er een nieuw kind bijkomt, moet iedereen weer een half jaar lang zijn positie bepalen. „Vaak weet je weinig van het verleden. Dat komt er stukje bij beetje uit”, zegt Miriam. Neem het meisje van tien. Frans dacht haar als kleuter een plezier te doen door haar mee te nemen naar de brandweer. „Ze begon hysterisch te gillen. Wisten wij veel, dat ze als peuter een brandend huis had moeten ontvluchten.”

Het oudste gezinshuiskind (18) woont hier al dertien jaar. Haar ouders zijn psychiatrisch patiënt. Het gaat goed met haar – ze is begonnen op de universiteit en woont nu ‘op kamers’ in het gezinshuis omdat ze formeel buiten de jeugdzorg valt. Frans en Miriam houden van haar, zegt Frans aan de keukentafel, wat het meisje onmiddellijk nuanceert: „Je kunt niet van mij houden zoals je van je echte kinderen houdt.” Frans: „Wel. Je woont hier al zo gruwelijk lang.” „Ja, maar het is anders. Je biologische kinderen delen jouw genen.”

Dat soort discussies is hier gewoon. De meisjes van acht en tien noemen Frans en Miriam ‘papa’ en ‘mama’. Maar die ene dag per maand dat hun biologische ouders er zijn, doen ze hun best om hén papa en mama te noemen. Dan heten Frans en Miriam gewoon Frans en Miriam.

Elke keer dat de biologische ouders op bezoek komen, raken de kinderen overigens van streek. „Dan is de hele week een ramp”, zegt Miriam. „Ze slapen slecht en worden extreem druk. Vaak zijn ze na afloop een paar dagen boos. Op iedereen.”

Wortels. Daar gaat het om. Frans en Miriam doen veel om de biologische ouders te betrekken bij hun kinderen. Dat is niet altijd makkelijk, omdat sommige ouders, zoals die van het jongetje, het er niet mee eens zijn dat ze hun kind überhaupt kwijt zijn. Miriam: „Wat er ook is gebeurd thuis, je ouders blijven je ouders. Wij voeden op, maar we zijn niet de ouders.”

Tegelijk proberen ze een netwerk rond het kind op te bouwen. Peetgezinnen noemen ze die, elk kind heeft er één. Het meisje van veertien gaat bijvoorbeeld paardrijden bij haar nieuwe peetgezin. Die van tien gaat weleens uit logeren, en die van acht heeft een eigen kip op de boerderij van haar peetgezin. Enkele professionals die hier over de vloer kwamen voor bijvoorbeeld logopedie, blijven terugkomen om te helpen op vrijwillige basis.

En één keer per maand houden ze in huize Erlings ’s avonds een ‘kringgesprek’. Dan nemen Frans en Miriam alle kinderen door met de peetgezinnen en andere vrijwilligers. Miriam: „Zo creëer je een groep mensen die betrokken is bij de kinderen. Een kring die ze anders missen.”