opinext@nrc.nl

Onderwijsminister Plasterk wil het promotietraject hervormen en het liefst naar Amerikaans model (nrc.next, 28 oktober). Als het aan hem ligt, schakelen alle Nederlandse universiteiten, waar het gaat om de opleiding van hun promovendi, zo snel mogelijk over op de ‘graduate school’. Dat zijn in opzet scholen waar promovendi het voor het zeggen hebben, en niet de promotors. Zo kunnen studenten die verder willen in de wetenschap de promotor die hun het meeste aanspreekt selecteren.

De graduate schools koppelen de promovendiopleiding echter aan de masteropleiding. Daarmee zijn zij bij uitstek een lokale aangelegenheid, omdat masteropleidingen nu eenmaal zelden interuniversitair van opzet zijn. De huidige landelijke onderzoeksscholen zijn dat wel: al vijftien jaar wordt door universiteiten samengewerkt op het vlak van promovendiopleidingen en onderzoek op hetzelfde vakgebied. Graduate schools zullen dus niet in alle onderzoeksdisciplines een gespecialiseerde opleiding kunnen bieden aan hun promovendi.

Bovendien lijkt het erop dat met de invoering van graduate schools de landelijke onderzoeksscholen zullen verdwijnen. Daarmee wordt de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland bedreigd in plaats van verbeterd. Een situatie die sterk doet denken aan het spreekwoordelijke kind en het badwater.

Plasterks plannen maken de onderzoeksscholen en de graduate schools tot elkaars directe concurrenten. De Colleges van Bestuur van de universiteiten in den lande hebben immers al laten weten niet langer van plan te zijn de landelijke onderzoeksscholen te blijven steunen. Universiteiten die meedoen aan interuniversitaire onderzoeksscholen geven daarmee een deel van hun autonomie uit handen en daar is niet iedereen altijd even blij mee. Nu Plasterk heeft besloten alleen de graduate schools een extra financiële impuls te geven, is de keuze nog sneller gemaakt. De minister blijft ondertussen volhouden dat hij met zijn plannen niet beoogt de landelijke onderzoeksscholen te laten verdwijnen. Maar de crux zit hem nu juist in het feit dat de minister zich überhaupt niet bezig wil houden met de positie van de landelijke onderzoeksscholen: de beslissing om niets te doen is óók een beslissing. De keuze voor de graduate schools – daar gaat dus voortaan het geld naartoe – is een, weliswaar impliciete, keuze tegen de landelijke onderzoeksscholen.

Het paradoxale aan de plannen van de minister is dat hij enerzijds veel waarde zegt te hechten aan de keuzevrijheid van de promovendi – zij moeten vrij zijn in de keuze van opleiding, onderwerp en begeleider – maar anderzijds juist weinig aandacht lijkt te willen schenken aan de voorkeuren van deze zelfde promovendi. Zij zijn namelijk helemaal niet enthousiast over de uitwerking van de plannen van de minister. En zo ontstaat de indruk dat de minister alleen maar wil vernieuwen om zijn stempel te kunnen drukken op het onderwijsbeleid in Nederland. Het mogelijk desastreuze gevolg daarvan kan zijn dat de uitmuntende opleiding van jonge wetenschappers om zeep wordt geholpen, terwijl de minister aan het einde van zijn ambtstermijn zijn hoed ongegeneerd aan een andere kapstok hangt.

Maartje Bijl

Promovendus aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en voorzitter van de promovendiraad van de Ius Commune onderzoeksschool. Zij schrijft deze brief op persoonlijke titel.