Niemand is gebaat bij objectieve adviezen over kunst

Omdat objectieve adviezen over kunst onmogelijk zijn, moeten politici zelf debatteren over de kwaliteit ervan, meent Arjo Klamer.

Hoe houdbaar is het systeem van de subsidiëring van de kunsten? Die vraag is onvermijdelijk nu de rechter heeft bepaald dat de Theatercompagnie van Theu Boermans ten onrechte haar subsidie heeft verloren. De reden waarom de rechter zo oordeelde was dat een lid van de adviescommissie zelf belanghebbende was. Dat hij er zelf niet bij was toen de beslissing werd genomen, deed daar niets aan af.

Blijft deze uitspraak staan, dan kan ieder besluit aangevochten worden. In het kunstwereldje is het onvermijdelijk dat beoordelaars belanghebbend zijn. Zo heb ik als lid van de Rotterdamse Raad van Cultuur invloed op de advisering voor de subsidiëring van Rotterdamse kunstinstellingen. Maar daarvoor ben ik bestuurslid geweest van diverse Rotterdamse kunstinstellingen, heb tal van vrienden in de kunstwereld, en wie weet ook vijanden. Hoe onpartijdig ben ik dan? Op de gang heb ik niet gestaan. Subsidiëring van de kunsten door de overheid, gebaseerd op objectieve adviezen, is onmogelijk.

Het wachten was op het moment dat deze onmogelijkheid aangetoond werd. Het is een slecht moment want met de opkomst van volkspartijen staat de subsidiëring van wat als een speeltje van de culturele elite gezien wordt, toch al onder druk. Beleven we binnenkort het einde van een praktijk die een half eeuw geduurd heeft?

De overheid heeft er overigens al veel voor gedaan om willekeur uit te schakelen. Eerst door Raden voor Cultuur in te stellen die onafhankelijk advies uitbrengen aan de minister en wethouders die de subsidies vaststellen. En vervolgens door een groot deel van de subsidiëring uit te besteden aan fondsen. Die zijn dan wel met overheidsgeld gefinancierd, maar de politieke lobby van de kunstwereld staat hiermee buitenspel.

Het mag allemaal niet baten. Het blijft een machtspel dat mensen als Theu Boermans overigens altijd goed beheersten. In dat spel gaat het erom zoveel mogelijk handlangers in de commissies te krijgen. Veroudert je netwerk dan loop je de kans dat je te weinig handlangers in de commissies hebt. Boermans wraak is een doodsteek te geven aan het systeem waarvan hij jarenlang heeft geprofiteerd. Zijn juridische actie heeft duidelijk gemaakt dat een afwijzing van subsidie juridisch kwetsbaar is en daarom bij een rechter aangevochten kan worden.

Naar verwachting zullen bestuurders reageren met de eis dat de beoordeling van de subsidiëring van een culturele instelling op objectieve criteria gebaseerd dient te zijn. Ambtenaren zullen meer cijfers moeten produceren, zoals het aantal bezoekers, rendementen, economische resultaten en meetbare kwaliteitsindicaties. Kwantitatieve beoordelingen zullen kwalitatieve beoordelingen verdringen. Zo gaat het ook in de academische sector.

Het gevaar van dergelijke objectivering is dat net als universitaire onderzoekers dat nu doen, culturele instellingen zich gaan richten op de cijfers. In zekere zin doen ze dat al. Gezelschappen en theaters strooien met kaartjes om het aantal bezoekers op te krikken. Sommige gezelschappen geven voorstellingen voor vrijwel lege zalen om aan een quorum te voldoen. De berekening staat de kwaliteit in de weg. En in de kunsten gaat het om kwaliteit. De vraag is niet hoeveel bezoekers een toneelstuk trekt, maar of het toneelstuk ‘goed’ is en of degenen die kwamen kijken ‘bewogen’ zijn. Over kwaliteit zullen de meningen uiteenlopen.

De enige manier om te voorkomen dat de kwaliteiten van de kunsten gesmoord worden in de logica die objectivering afdwingt, is de discussie over kwaliteiten terug te brengen in de publieke arena. De Amsterdamse wethouder Carolien Gehrels (PvdA) had daarom gelijk toen ze pleitte voor het politieke mandaat bij kunstsubsidies. Het gaat erom dat we debatteren, nee, vechten, over de kwaliteiten van wat kunstenaars maken. De deskundigheid van Raden voor Cultuur blijft belangrijk, maar om de kunsten tot hun recht te laten komen is een verbreding van het debat noodzakelijk.

In Zwitserland hebben ze goede ervaringen met referenda. In Nederland kunnen we verlangen naar heftige discussies in het parlement en gemeenteraden over wat goede kunst is en welke culturele instellingen het waard zijn om met belastinggeld te subsidiëren.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en decaan van Academia Vitae, een particulier liberal arts college in Deventer.