Importterrorist

Vijf jaar na de moord door een religieuze terrorist op Theo van Gogh lijkt het gevaar niet geweken, maar van herkomst veranderd. De leden van de Hofstadgroep wortelden nog in de Nederlandse samenleving. Hun bezwaren richtten zich tegen binnenlandse figuren als Ayaan Hirsi Ali en Van Gogh. Nu zijn de gevaren van dergelijke lokale ‘jihadistische netwerken’ zo goed als verdwenen, zo zeiden deskundigen zaterdag in NRC Weekblad.

De arrestatie in maart vorig jaar van een jonge Pakistaanse student in Breda geeft aan dat Nederland doelwit of startpunt kan zijn voor buitenlandse terreurorganisaties. De Pakistaan Abbasi, inmiddels uitgeleverd aan Spanje, was op een studentenvisum Nederland binnengekomen. Maar bleef uit de collegebanken weg en werkte onopvallend als huisschilder. Volgens Spaanse autoriteiten had hij opdracht van een terreurorganisatie uit Zuid-Waziristan om in West-Europa ooit een zelfmoordaanslag te plegen.

De keuze voor Nederland hangt samen met onze rol in de NAVO-missie in Afghanistan en wellicht ook met het internationale rumoer rond de film Fitna van Geert Wilders, zo denken de experts. Mede daarom is het dreigingsniveau in Nederland nog altijd ‘substantieel’. Alleen komt die dreiging ongeveer uit dezelfde regio waar Nederland ook vecht tegen de fundamentalisten. Voor wie zich nog afvraagt waarom Nederlandse militairen helemaal in Uruzgan slag leveren, is dat het antwoord. Nederland wordt bedreigd.

Het is te hopen dat de constatering dat jihadstrijders een importartikel zijn geworden, niet voorbarig is.

Als het waar is dat scholen, moskeeën en de jeugdzorg radicalisering onder Nederlandse jongeren tijdig tegengaan, dan is dat een compliment waard. Het is van groot belang om het weefsel van de samenleving op dit punt sterk te houden. Geen onderlinge tegenstellingen verscherpen, maar samenwerking bevorderen. Dialoog houdt deuren open, schelden gooit ze dicht.

Nederland heeft een traditie in het ruimte bieden aan orthodoxe religies, inclusief de bijbehorende onzin, zonder overspannen te raken. De gematigde reacties van binnenlandse moslimorganisaties op de haatfilm Fitna was destijds voorbeeldig. Het spookbeeld van de ‘islamisering’ van Nederland is in dit opzicht vals gebleken.

Ook een alert uitzettingsbeleid van radicale predikers, scherp AIVD-toezicht en strenge straffen hebben mogelijk vruchten afgeworpen. Mohammed B. en Samir A. kunnen dan met hun Hofstadgroep en de ‘Leeuwen van Tahweed’ de geschiedenis in als incidentele excessen. Dat de rechters hen destijds wel als zware criminelen maar niet als politieke leiders van ideologisch gedreven gewelddadige organisaties veroordeelden, is dan achteraf behalve juridisch ook historisch juist.

De ideologisch gedreven geweldplegers zitten elders. Hun Nederlandse branchegenoten zijn niet van de grond gekomen. Het gevaar reist juist hier naar toe, houdt zich schuil en wacht af.

Dat is bepaald reden voor zorg. Maar gevaar van buiten is niks nieuws.