Het leven zit vol valkuilen, vindt Ndiaye

De boeken van de winnares van de Prix Goncourt Marie Ndiaye gaan vaak over anders zijn. Racisme en discriminatie hebben haar altijd beziggehouden.

De Prix Goncourt, Frankrijks belangrijkste literaire prijs, is gisteren toegekend aan de in Berlijn wonende Frans-Senegalese Marie Ndiaye (42) voor haar roman Trois femmes puissantes (‘Drie machtige vrouwen’). Ndiaye is een teruggetrokken vrouw, die zich nooit in het Parijse wereldje vertoont, wars is van loftuitingen en verlegen wordt van eerbetoon.

Trois femmes puissantes is een schitterende, krachtige roman, geschreven in het heldere, geciseleerde taalgebruik dat Ndiaye’s werk kenmerkt. Vele vertalers zullen er een harde dobber aan krijgen. Haar zinnen zijn lang, ritmisch, melodieus. Ze laat drie Senegalese vrouwen aan het woord, direct en in één geval indirect, die allen te maken krijgen met het kwaad, met leugens, bedrog en vernedering. De eerste is een advocate in Parijs die door haar vader naar Dakar wordt geroepen en ontdekt dat deze man, die zijn kinderen terroriseerde, het leven van haar broer heeft verwoest. De tweede is met haar man naar Frankrijk verhuisd zonder zijn geschonden verleden te kennen. De derde vrouw, na de dood van haar man verstoten door diens familie, behoort tot de kansloze vluchtelingen. Machtig zijn deze vrouwen niet, wel sterk, op het onverwoestbare af.

Marie Ndiaye heeft in haar werk geëxperimenteerd met taal en onderwerp en liet in Comédie classique de hele roman uit één lange zin bestaan. Absurdisme en sprookjes lopen vaak door elkaar heen, het mysterie is sterker dan de ratio, waardoor de schrijfster benadrukt hoe onzeker en vol valkuilen het menselijk bestaan is.

In romans als Lieve familie en De tijd van het jaar stelt Ndiaye het ‘anders zijn’ aan de orde. Hoe geaccepteerd te worden als je huid een andere kleur heeft en er niet ‘bij’ hoort? Hoe te reageren op vernedering en buitengesloten worden? Racisme en discriminatie hebben haar altijd beziggehouden – hoe versluierd ook.

In 2001 kreeg Ndiaye de prix Femina voor haar zesde roman, Rosie Carpe, een boosaardig sprookje over misbruik en verlies, over ontaarde ouders en eenzaamheid, over naïviteit en doortraptheid. In 1999 publiceerde ze haar eerste toneelstuk, Hilda, een hilarisch en absurdistisch stuk dat doet denken aan Beckett en Ionesco. Net zo min als in haar toneel laat Ndiaye in haar romans een persoonlijke, autobiografische noot doorklinken. Pijn en onderhuids geweld, dat vind je wel in een groot deel van haar oeuvre. Haar personages manifesteren zich via woorden, zoals ze zijn, zonder opsmuk. Geweld of wreedheid kan schuilen in een overdaad aan ‘délicatesse’, in een vreemde kalmte, een kleine ontregeling van gewoonten, in ironie. Ze maakt het de lezer daarmee moeilijk zich met de personages te identificeren, en dat is precies de bedoeling.

Ndiaye is, samen met haar oudere broer, opgevoed door haar Franse moeder. Haar vader, afkomstig uit Senegal, verliet het gezin toen zij een jaar was. Ze groeide op in de buitenwijken onder Parijs, maar woonde lange tijd, met haar man, schrijver Jean-Yves Cendrey, en hun kinderen, in een dorpje in Normandië. Veel van haar werk speelt zich af op het platteland. Sinds een paar jaar woont het gezin in Berlijn. Heerlijk anoniem.

Aan de Prix Goncourt is een bedrag van 10 euro verbonden. De Prix Renaudot ging naar Frédéric Beigbeder voor Un roman français. De Prix Renaudot voor pockets was voor de in Tunesië geboren Hubert Haddad voor Palestine.