Een vredig oord voor de jetset

Théodore Reinach liet begin vorige eeuw aan de Côte d’Azur Villa Kérylos bouwen.

Het werd een reconstructie van een weelderig Grieks buitenverblijf uit 200 v. Chr.

Wie vanuit Nice de bochtige kustweg richting Monaco volgt, ziet het gebouw al snel aan de overkant van een baai opdoemen: zijn rechthoekige torens tekenen wit tegen de achterliggende rotswand af. Een opvallende vesting tussen de hoogbouw die de Franse zuidkust domineert.

Voor het ontstaan van deze ‘folly’ (bouwwerk zonder functie) in Beaulieu-sur-mer moeten we honderd jaar terug, naar de tijd dat de Côte d’Azur toevluchtsoord was voor de internationale jetset – al kwamen de bezoekers nog per boot, koets en trein uit Engeland, Rusland of Amerika. Het zachte klimaat zou helend zijn voor de tuberculose waaraan velen leden. Ook de schrijver Anton Tsjechov, zelf arts, geloofde daar heilig in en reisde rond de eeuwwisseling enkele keren naar een Russisch pension te Nice. Het mocht niet baten.

De hellenist en archeoloog Théodore Reinach (1860-1928) die de villa in Beaulieu-sur-mer liet bouwen, was de intelligente jongste zoon van een rijke, van oorsprong Duitse bankier. Als dertienjarige deed hij een Russische vrouw versteld staan door alle 130 waterwegen, rivieren en aftakkingen in haar geboorteland op te sommen. De drie broers Reinach kregen onderricht aan een speciaal ontworpen tafel en werden hooggeleerd. De eerste letters van hun namen, Joseph, Salomon en Théodore, werden ook wel verbasterd tot Je Sais Tout. Théodore ontwikkelde een grote belangstelling voor de toen opkomende archeologie. Hij ontcijferde een bij Delphi gevonden, in steen gegraveerde ‘Hymne aan Apollo’, die door zijn vriend Gabriel Fauré op muziek werd gezet.

Met het gebouw verwerkelijkte Théodore een andere droom: het zo zuiver mogelijk reconstrueren van een weelderig Griekse buitenverblijf. Hij riep de hulp in van de destijds befaamde architect Emmanuel Pontrémoli (1865-1956) om, met behulp van oude tekeningen en beschrijvingen van opgravingen, aan de Baie des Fourmis de ‘Villa Kérylos’ te doen verrijzen. De naam verwijst naar de alcyoon, een gelukbrengende ijsvogel uit de Griekse mythologie. Het moest een villa worden zoals die twee eeuwen voor Christus op het eiland Délos door welgestelden werd bewoond.

De ontwerpers trokken voor de detaillering in hout, steen, gips en verf gespecialiseerde handwerkslieden uit de wijde omgeving aan. De bouw duurde van 1902 tot 1908 en kostte 9 miljoen goudfrank (nu zo’n 46 miljoen euro). Een groot deel werd opgebracht door familie van Reinachs echtgenote Fanny Kann: de Ephrussi’s, destijds vermaard om hun grote kunstverzameling. Aan de overzijde van de baai, op een landtong bij Saint-Jean-Cap-Ferrat, liet in dezelfde periode de echtgenote van Maurice Ephrussi, Béatrice de Rothschild, een neorenaissance villa bouwen. Er kwamen destijds veel rijke, beroemde en soms ook koninklijke gasten in beide architectonische anomalieën. Nu zijn de huizen en omringende tuinen toegankelijk voor het publiek.

Zodra ze mijn nationaliteit bemerkte, sprak de receptioniste me in accentloos Nederlands aan. Ze bleek kunstgeschiedenis in Leiden te studeren en stelde voor, omdat het rustig was, een stukje met mij op te lopen. De binnenkomst in de Thyrôreion (ontvangsthal) van Villa Kérylos is al overweldigend: een in de vloer ingelegd ‘Xaipe’ (‘Vermaak je’) heet de bezoeker welkom. De vide van marmer is zo geconstrueerd dat de bezoeker altijd een aangenaam frisse luchtstroom tegemoet komt. Fresco’s op de wanden rond de centrale, carrévormige zuilengalerij tonen taferelen uit de Griekse mythologie.

Mijn gids begeleidt me over de mozaïekvloeren in de rond het atrium gelegen vertrekken. Schakelaars, stopcontacten en snoeren zijn weggewerkt, vertelt ze, om de antieke sfeer niet te verstoren; de elektrisch gevoede lampen suggereren olie- en kaarslicht. Op de in een oud-Griekse kast verborgen Pleyel-piano moet Fauré zijn Hymne nog hebben gespeeld. Voor de reliëfs en afbeeldingen op wanden, lambriseringen en plafonds zijn motieven en taferelen uit de Oudheid zo zorgvuldig mogelijk gekopieerd, met materialen die daarbij destijds ook werden toegepast.

De villa herbergt een imposante bibliotheek, waar Théodore Reinach staand placht te lezen en schrijven. Op de zuidelijke muur staat te lezen: „Hier, in het gezelschap van de Griekse redenaars, geleerden en dichters, heb ik te midden van onvergankelijke schoonheid een vredig toevluchtsoord geschapen.” Er is een schat aan aarde- en beeldhouwwerk, deels origineel en deels zeer nauwgezet nagemaakt. De Reinachs nuttigden de maaltijd liggend op rustbedden, met leren riemen bij wijze van lattenbodem, en ontvingen hun gasten in traditioneel Grieks gewaad.

Waarschijnlijk heeft Reinach niet zo heel vaak genoten van deze behaaglijke ambiance met adembenemend uitzicht over de blauwe zee. Behalve gedeputeerde in de Savoie was hij aan het Collège de France te Parijs hoogleraar in de antieke munt- en penningkunde en leidde hij daar La Revue des études grecques, La Revue des études juives en La Gazette des Beaux-Arts. In 1917, gedurende de Eerste Wereldoorlog, stierf zijn vrouw en vertrok hij naar de Verenigde Staten. Zijn zoon Léon nam het bewind over de archieven en de villa op zich. Théodore Reinach stierf in 1928, op 68-jarige leeftijd. Zijn zoon en een groot deel van zijn familie werden in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers vermoord. Na de oorlog werd Villa Kérylos bewoond door vruchtgebruikers, tot het gebouw in 1967, zoals Reinach had bepaald, in handen kwam van het Institut de France.

Ik word door mijn gids geattendeerd op de geraffineerde afwerking van een bronzen slang. Verderop toont ze de Balaneion (badkamer) van Carrara-marmer, met een diep bad dat ook nu als buitengewoon luxueus zou gelden. Veel Nederlanders komen hier niet, zegt ze. Die hebben waarschijnlijk meer belangstelling voor de pracht en praal in de – door hetzelfde instituut beheerde – Villa Ephrussi de Rothschild. Want daar heb je thematuinen waar je tegen betaling de fonteinen op de klanken van een wals kunt laten dansen.

Villa Kérylos is niet zomaar een bezienswaardigheid; je moet de harmonie en detaillering van het gebouw als een weldaad ondergaan. Zoals in Reinachs in oranje-rood gedecoreerde slaapvertrek (Erotès) met de op de wanden geschilderde, tussen wijnranken rondfladderende liefdesgoden. Het uitnodigende bed in Pompeï-stijl van brons en hout werd gemodelleerd naar een origineel in het archeologisch museum te Napels.

Kenners van de Oudheid zullen hier ongetwijfeld anachronismen ontdekken. Toch moet het geheel de werkelijkheid van de Griekse beau monde van tweeëntwintig eeuwen terug dicht benaderen. Vergeleken met de Ephrussi-suikertaart, een steenworp verderop, is dit vrijwel even oude bouwwerk verfrissend modern.