Calvijn herleeft in sereen theater

Theater Ik, Calvijn door De Utrechtse Spelen. Regie: Erik Snel. Gezien: Paardenkathedraal, Utrecht. Aldaar t/m 13/12. Inl: www.ikcalvijn.nl****

Dwars door het decor loopt een kaarsrechte sloot. Onder onze voeten ligt zompige, zwarte veengrond. Hoog daarboven gotische bogen. Kerk en Hollands landschap zijn samengebracht. Hierin staan acteur Mathieu Güthschmidt als de protestante kerkvader Johannes Calvijn (1509-1564) en zanger Joost Schouten, bariton. Zij brengen de voorstelling Ik, Calvijn van De Utrechtse Spelen.

Güthschmidt draagt sobere kleding. Zijn gezicht is strakgetrokken. Met indringende dictie brengt hij de tekst die schrijver Sophie Kassies ontleende aan Calvijns boek de Institutie of onderwijzing in de christelijke religie. Wat vooral opvalt aan de redeneringen is de onontkoombare logica ervan, zelfs voor een toeschouwer van katholieke huize voor wie de Beeldenstorm een zwarte bladzijde is.

De cerebrale entourage toont de kracht van de taal. Schitterend is de passage over de grauwsluier van de geest: „Het wit van het hemd dat u draagt, heeft in de verste verte niet te maken met het wit dat uw geest kent. Hoe vaak, hoe zorgvuldig u het ook wast, het wordt nooit meer dan gebroken wit.”

Güthschmidt heeft een protestantse acteerstijl. Het is alsof hij werkelijk vanaf een kansel het gehoor in het theater De Paardenkathedraal toespreekt. Componist Daan Manneke schreef voor bariton Joost Schouten eenstemmige muziek die, net als het spel en decor, een grote sereniteit bezit. Mooi is het dat aan het slot zanger en acteur elkaar vinden in een bijna religieus samenspel.

Tegen de achtergrond gloeit helderwit een lichtprojectie op, waarin geschreven staat „Paradijs” en daaronder een pijl die wijst naar het woord „mens”. Eronder staan, op een houten kist, een kaars en een fles. Dit maakt duidelijk waar het in Ik, Calvijn om draait: de mens is verdreven uit het Paradijs. Hij zoekt afleiding en genot om dat Paradijs terug te vinden. Soms is Calvijn levenslustiger dan we zouden verwachten. Naast alle strengheid zegt Güthschmidt opeens met passie: „Hoe het hart soms opspringt van blijdschap, zonder dat wij weten waarom.”