We lagen al om negen uur voor pampers

Het weer kan moekerig zijn. En we hebben in Nederland regelmatig last van bukweer. Toch?

Onlangs kreeg een lezer van deze rubriek een mailtje van een kennis die terugblikkend op een vakantie schreef: „Iedere avond lagen we om negen uur voor pampers op de bank of in bed.” De merknaam Pampers, gebaseerd op het Engels to pamper (‘vertroetelen’), werd in 1961 geïntroduceerd door Procter & Gamble. Pampus, een ondiepte in het IJsselmeer voor de monding van het IJ, was berucht door de hinder die schepen er ondervonden; ze moesten er met zogenoemde scheepskamelen (lichters) overheen worden getrokken. Vandaar de uitdrukking voor Pampus liggen voor (onder meer) ‘in zwijm liggen’. Overigens hebben wij het werkwoord pamperen twee keer uit het Engels geleend: in het West-Vlaams is het al in 1865 opgetekend, in dezelfde betekenis als nu (Guido Gezelle stelde al in 1893: „Jongens die te vele gepamperd zijn deugen niet’’). In Nederland werd het woord vervolgens pas omstreeks 1985 in gebruik genomen, toen naar aanleiding van de Pampers-luiers.

Pingpong. Onlangs kwam hier, in een stukje over pingping voor ‘geld’, kort het woord pingpong aan bod. Er was toen geen ruimte om een paar zinnen uit de Leeuwarder Courant van 14 januari 1902 aan te halen. Onder het kopje ‘Pingpong aan het hof te Berlijn’ lezen we daar: „Keizer Wilhelm heeft een ping-pongspel van den koning van Engeland cadeau gekregen en is een groot beminnaar van het mooie, moderne spel geworden. In Engeland is men er verrukt over en beschouwt [men] dit haast als iets net zoo belangrijks als eene alliantie.’’ De publicatiedatum sluit uit dat het om een 1 aprilgrap gaat. Ook uit andere berichten blijkt dat pingpong indertijd een rage was, vooral in de betere kringen. Ping-pong was oorspronkelijk een merknaam voor het spel, maar het werd al heel snel als soortnaam gebruikt. In het Engels is het woord in 1900 voor het eerst opgetekend. Aanvankelijk werd het daar ook wel drawing-room tennis genoemd, en table tennis (dat wij natuurlijk overnamen als tafeltennis). In Nederland werd het spel al snel op de hak genomen. Zo zong Eduard Jacobs, een van de grondleggers van het Nederlandse cabaret, omstreeks 1903: „’t Aristocraatje/ Hij is blasé, hoewel nog jong/ Speelt uit verveling ook ping-pong/ ’n Onbeduidend personaadje [personage]/ ’t Aristocraatje.” De Grote Van Dale nam pingpong in 1914 voor het eerst op, met als aanvechtbare definitie ‘soort van tafeltennis’.

Bukweer. In mijn omgeving hoor ik geregeld het woord bukweer („wat een verschrikkelijk bukweer”). Dit lijkt een tamelijk zeldzaam woord te zijn. Althans, op internet komt het bijna niet voor (slechts achttien keer), en ook elders heb ik nauwelijks schriftelijke bewijsplaatsen gevonden. Of is het zo’n woord dat wel voorkomt in de spreektaal maar niet in de schrijftaal? De woordenboeken kennen het niet, terwijl het bij mijn weten toch al zeker tien jaar oud is. Meer informatie is welkom. Dat geldt ook voor het woord moekerig – waar een lezer onlangs naar vroeg. Ik vond het alleen in een streekroman uit 1961 van Annie Oosterbroek-Dutschun: „Loewie kan slecht tegen dat ‘moekerige’ weer; hij krijgt er altijd zo’n drukkend gevoel in zijn hoofd van, maar nu nadat de zon is ondergegaan en de wind aanwaait vanuit de weilanden, voelt hij zich weer helemaal opgekikkerd.” Wie kent dit woord, dat ook wel voorkomt in de vorm mokkerig?

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek