V an Gogh was een aardige jongen

Theo van Gogh had een onbedwingbare neiging tot polemiseren en beledigen.

Maar die neiging beperkte zijn betekenis in het maatschappelijke debat.

Een kampioen van het vrije woord – zo wordt Theo van Gogh, vandaag vijf jaar geleden vermoord, links en rechts geëerd. De eer gun ik hem graag, maar hij treft me als enigszins overspannen.

Een van mijn laatste herinneringen aan Van Gogh is dat hij mij, zo’n twee weken voor de moord, op straat staande hield. Hij was trots op wat hij de vorige avond had gedaan: als debatleider had hij de Belgische moslim-politicus Abu Jajah aan het publiek voorgesteld als ‘pooier van de profeet’, waarop betrokkene boos was weggelopen. Van Gogh ten voeten uit, als je het mij vraagt: iemand lekker op de kast jagen. Maakt iemand beledigen je tot een ridder van het vrije woord? Is het een verdienste als je, zoals Van Gogh op zijn site, een bepaalde bevolkingsgroep consequent voor ‘geitenneukers’ uitmaakt?

Ik wil hier Van Gogh geenszins zwartmaken. Hij was een aardige en hartelijke jongen. Hij was een getalenteerd cineast, zoals vooral blijkt uit de films waarin het aankomt op de acteursregie, zoals Interview, of 06. Wie denkt dat hij een racist was, moet vooral eens naar de film Cool! kijken. Daarin regisseerde hij liefdevol jeugdige ex-delinquenten uit verschillende bevolkingsgroepen, waarmee een echte misdaadfilm ontstond. Als regisseur was Van Gogh tot een hoge mate van empathie in staat, en die neiging verliet hem niet in het leven.

Cool! behoort niet tot Van Goghs goede films – teveel jongensboek-mystiek, teveel eindeloze auto-achtervolgingen. Veel van zijn films lijden aan een neiging tot overstatement. Dan is het verhaal zozeer volgepakt met spannende verwikkelingen, of uitweidingen over niets, dat de kijker het spoor bijster raakt.

In zijn slechte films, denk ik, legde Van Gogh dezelfde overspannenheid aan de dag die ook zijn onbedwingbare neiging tot polemiseren kenmerkte, en zijn neiging tot beledigen. Die neigingen waren natuurlijk zijn goed recht. Maar ze beperkten zijn betekenis in het maatschappelijk debat, omdat ze uiting waren van een persoonlijkheid, en niets zeiden over de wereld.

Het type denker waartoe Van Gogh behoorde kun je het best als ‘getalenteerde etterbak’ omschrijven. Af en toe staat er zo iemand op in de samenleving, om anderen te pesten en tot razernij te brengen doordat hij consequent heilige huisjes omver werpt en de grenzen van het fatsoenlijk debat tart. De journalist Willem Oltmans (1925-2004) was bijvoorbeeld zo iemand: stelselmatig zette hij zijn talenten in dienst van zaken die door weldenkenden van de hand werden gewezen (Soekarno, de Sovjet-Unie, apartheid) en bij kritiek luidkeels stampij te maken.

De vaderlandse cultuurgeschiedenis kent veel van dit soort figuren. Neem Alexander Cohen (1864-1961), een schrijver en journalist die in de loop van zijn leven het revolutionair anarchisme verruilde voor het aanhangerschap van de extreemrechtse Action Française, en door zijn werk met justitie in aanraking kwam. Of de kunstenaar Erich Wichmann (1890-1929), die aan zijn antiburgerlijke neigingen uiting gaf door het fascisme van de daad te omarmen. Politiek avonturisme behoort niet zelden tot het instrumentarium van de getalenteerde etterbak.

Cohen en Wichmann zijn nu min of meer vergeten; niet toegelaten tot de informele canon van mensen die er toe deden. Eenzelfde lot treft, vrees ik, de nagedachtenis van Theo van Gogh – er verschijnen dezer dagen heel wat herdenkingsartikelen, maar niemand lijkt er aan te hebben gedacht een retrospectief van zijn films te organiseren, of een uitgave van zijn verzamelde geschriften. De betekenis van de getalenteerde etterbak is sterk aan tijd en plaats gebonden: ze maken veel lawaai en roepen daarbij vrij voorspelbaar een zekere agressie op bij de conformisten en weldenkende van hun tijd, maar daarmee heb je het ook wel zo’n beetje gehad.

Je zou natuurlijk kunnen denken dat de motieven van de moordenaar Van Gogh tot een martelaar van het vrije woord hebben gemaakt. Maar bij nadere beschouwing van Bouyeri’s motieven, zoals neergelegd in de brief die hij in het lijk van Van Gogh stak, houdt deze gedachte geen stand. Van Gogh was een min of willekeurig substituut-slachtoffer voor de streng bewaakte Ayaan Hirsi Ali. En dan nog verwijt de moordenaar Hirsi Ali niet dat zij Allah loochent en daarover spreekt, maar eerder dat zij niet bereid is voor haar overtuiging te sterven terwijl hij, Bouyeri, dat wel is – een gedachtegang die de Sloveense filosoof en psychoanalyticus Slavoj Zizek terecht als een schoolvoorbeeld van een perverse redenering heeft gekenschetst.

Er kleeft aan de moord op Van Gogh dus een forse dosis absurditeit, die hem misschien nog wel gruwelijker, onbegrijpelijker en onaanvaardbaarder maakt. En er is helaas geen hogere betekenis, die ons helpen kan ons met deze gruwelijke dood te verzoenen.

Raymond van den Boogaard is chef kunst van NRC Handelsblad