Twee straatartiesten

Op het Leidseplein stonden met een tussenruimte van nog geen twintig meter twee straatartiesten ieder hun act op te voeren. De verschillen konden niet groter zijn.

De ene man was met een gespierd, ontbloot bovenlijf aan het werk. Hij biologeerde zijn talrijke publiek met drie brandende fakkels, die hij steeds gevaarlijk dicht langs zijn hoofd omhoog gooide. De act vereiste veel inspanning en concentratie, ook al brulde hij tussendoor wat ingestudeerde grappen naar de toeschouwers.

„I am a professional street performer”, riep hij enkele malen trots.

Zijn bestaan leek me hard en riskant. Eén verkeerde beweging en hij liep de rest van zijn leven met zo’n litteken in zijn gezicht rond waarmee je het brandwondencentrum verlaat. Geen van de toeschouwers gunde hem die beschadiging, maar ze vonden het wel erg spannend om te zien of hij ongedeerd bleef. De pyromaan in ons is nooit erg ver weg. Als hem iets overkwam, zouden ze zeggen: „Zielig, maar hij heeft er wel om gevraagd.”

Toen hij klaar was en zijn vuurwerk gedoofd, was de schare toeschouwers in een oogwenk weggestroomd. Als muizen die bij het eerste onheilsteken in de gaten van een plint verdwijnen. Slechts een handjevol mensen liep naar het bekende collectemandje.

Die wordt nooit rijk, dacht ik, terwijl ik mijn aandacht verlegde naar de collega-straatartiest even verderop. Konden we hem eigenlijk wel een straatartiest noemen? Dat stond nog ernstig te bezien. Ik vermoed dat de vuurwerker hem als een beunhaas beschouwde, iemand die nooit lid mocht worden van de internationale bond van professional street performers.

Deze man van half in de dertig – petje, trainingsbroek, blauw jack – nam er zijn gemak van. Hij sloeg met een tennisracket onverschillig tegen een gele tennisbal, die met een touwtje was vastgemaakt aan een van kunststof vervaardigde standaard op de grond. Als hij een keer of tien had geslagen, pauzeerde hij om zijn voorhoofd te ontdoen van het zweet dat er nog niet was. Hij hoefde niet aan de speed, zoals Agassi destijds.

Naast hem stonden twee grote koffers waarvan er een was uitgeklapt om zijn trainingsattribuut te etaleren. Ik gaf hem geen schijn van kans, want wie wilde er nou zoiets op het Leidseplein kopen? Daar ging je toch voor naar een sportzaak, als je het zo graag had?

Het werd snel duidelijk waarom ik nooit zakenman was geworden. In het kwartiertje dat ik stond te kijken, kwamen er vijf mensen langs die zo’n tennistuigje kochten.

„Hoeveel kosten ze?” vroeg ik de man.

„Ten joero”, zei hij, en hij wilde er al een voor mij uit de koffer pakken.

Ik beduidde hem dat ik er nog even over moest nadenken – universele, laffe uitvlucht van niet-kopers – en liep door. Hij haalde zijn schouders op en tikte weer bedaard verder tegen zijn balletje. Ten joero? Daar verdiende hij aardig aan. Van de overzijde van het plein hield ik hem nog even in de gaten. Hij fascineerde me meer dan de vuurwerker, die op een bankje zat na te hijgen. Het kwam door de minimale inspanning waarmee hij het maximale rendement haalde.

Als je het werkende deel van de mensheid ruwweg kon verdelen in ploeteraars en plunderaars, dan zagen we dat hier weerspiegeld. Die tennisman zou het wel rooien, maar de vuurwerker dreigde op te branden ver voor hij de 67 haalde.