Tijdens het diner eet ik zo drie stukken vlees

Met het artikel `Hebt u speciale wensen, zoals vlees?` van Henriëtte Prast (Opiniepagina, 29 oktober) wordt weer ruimte gegeven aan een oprisping van de antivleeslobby in Nederland. Het past in een tijd waarin de schappen van de supermarkten uitpuilen van de vleesvervangers, aan het eten van vlees allerlei aandoeningen worden toegeschreven en vlees steeds meer wordt weggemoffeld op de schijf van vijf.

Dagelijks, tijdens de avondmaaltijd, eet ik twee, soms drie stukken vlees. Afkomstig uit het gehele spectrum, zoals slavinken, schnitzels, biefstuk, paardenvlees en orgaanvlees, in deze tijd van het jaar afgewisseld door houtduif, hert en wild zwijn.

Bij tijd en wijle organiseer ik voor vrienden een vleesfestijn waarbij ik mijn tafelgenoten vergast op een ribeyesteak van 500 à 700 gram of een soortgelijk stuk vlees. Elke zomer organiseer ik bovendien - naast de frequente barbecue - een braai waarbij een compleet varken of schaap aan het spit wordt gegaard om daarna door de aanwezigen in Obelix-stijl te worden verorberd.

Daarmee doe ik recht aan mijn smaak, en smaak is bij mannen meer op vlees gericht dan bij vrouwen, een verworvenheid uit het tijdperk dat de eersten zich met het doden van dieren bezighielden en de laatsten met het verzamelen van vruchten en noten. Het is een evolutionair gegeven dat de mens afstamt van hominiden die in de eerste plaats vleeseters waren en pas in tweede instantie groeneters. Het veelgehoorde argument dat de mens ooit herbivoor is geweest, wordt tegengesproken door de resten van prooidieren die steevast op vindplaatsen van diezelfde hominiden worden aangetroffen.

Denkt mevrouw Prast nu werkelijk dat ik minder vlees ga eten, omdat koeien ergens in een ander werelddeel broeikaseffect veroorzakende scheten aan het laten zijn?