Onherkenbaar

Het was zo’n zondag om binnen te blijven. Ik heb het niet op de herfst, dat natte overgangsseizoen van de zomer naar de winter. Op de televisie werd me een middagje schaatsen aangeboden, vanuit een overdekte hal. Vooruit dan maar. Als ik de gordijnen dichthield, zou ik geen regendruppel zien.

Schaatsen is een rustgevende sport om naar te kijken. Iedereen rijdt braaf zijn rondjes en de verslaggevers zetten af en toe de tijd stil om te kunnen goochelen met cijfers.

Dit jaar had de NOS een noviteit: de schaatsers werden vlak voor de start aan het thuispubliek voorgesteld via een ultrakort filmpje op postzegelformaat. In stilte keken ze een paar seconden in de camera, zonder kapje en bril op het hoofd. Ze kregen zowaar een gezicht. Schaatsers waren ook maar gewone stervelingen.

Wouter Olde Heuvel gaf een klein knipoogje. Paulien van Deutekom lachte ingetogen, terwijl een lok zwart haar achter haar oor bewoog. De nieuwkomers bij het kampioenschap konden een zenuwachtige blos vaak niet onderdrukken.

Na het startschot waren de gezichten in de schaatspakken weer goeddeels onherkenbaar. De geslachtsloze brillen hielpen ook niet mee. Sommige schaatsmeisjes leken op stoere werklui die elk moment naar een snijbrander zouden kunnen grijpen om een stalen reclamebord hoog in stadion Thialf te lijf te gaan.

Ik herkende na al die jaren schaatsers eerder aan hun forse dijbenen, kont of rug dan aan hun vervormde gezicht. De pakken zaten weer strak dit seizoen. Het verklaarde het succes van de outfit van Gerard Joling tijdens het zaterdagavondprogramma Hole in the Wall.

Een van de hoogtepunten van het kampioenschap was de 1.500 meter van Erben Wennemars. Hij had zaterdag een slechte 1.000 meter gereden. Als hij nog op de Olympische Spelen in Vancouver wilde schaatsen, moest hij nu bij de eerste vijf eindigen.

Ik volg Wennemars al enige tijd op Twitter. Al maanden had hij in een paar zinnetjes verteld hoe hij ervoor stond. Niemand die harder trainde. Stoppen stond niet in zijn woordenboek.

Dwars door het pak heen zag ik het naakte lijf van Erben vechten voor een goede tijd. Alle vezels gespannen, de spieren rood van het bloed, het hart als een kreunende pomp, de longen in de uiterste zuigstand. En als kers op de taart de opengesperde mond met een verkrampte tong erin.

Dit was Erben Wennemars. Ik herkende hem meteen. Al deed hij drie schaatspakken over elkaar aan en een motorbril op: hij was het en niemand anders. Motoriek en mimiek uit duizenden. Hij eindigde als vijfde. Met de hakken over de sloot.

Na zijn race verscheen hij in een wit hemdje zonder mouwen voor de camera. Hij leek op zijn verjaardag jonger geworden, wat een wonder mag heten. Alleen de gelooide huid om zijn sleutelbeen verraadde zijn werkelijke leeftijd.

Na afloop van het kampioenschap ging ik op zoek naar zijn reactie op Twitter. Wennemars schreef na de 1.500 meter: “Ik zit er gewoon weer bij!!!!!!!!” Acht uitroeptekens. Dat hoort niet in een krant. Maar wel als Wennemars het schrijft. Je hoort zijn stemgeluid erbij; een kind dat kraait bij het uitpakken van een groot cadeau.

Wennemars zit in een rijdende trein. Al is het in de achterste coupé. Hij heeft nog drie maanden om zich via het uiterst smalle gangpad naar voren te wurmen.