Minister Hiddink

Het was onlangs typisch zo’n marginaal nieuwsbericht: ‘Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) krijgt de status van waarnemer bij de Verenigde Naties.’ Waarnemer? Ja, het IOC is nu gerechtigd het woord te voeren tijdens de algemene vergadering en deel te nemen aan specialistische vergaderingen, maar heeft geen stemrecht.

Wat dat zegt? Dat sport internationaal hoog op de politieke agenda staat. Sport doet er toe, vinden ook regeringsleiders. Anders waren Barack Obama (VS), Lula da Silva (Brazilië), José Luis Rodrí-guez Zapatero (Spanje) en Yukio Hatoyama (Japan) een maand geleden niet naar de IOC Sessie gekomen om de kandidatuur van ‘hun’ stad voor de Olympische Spelen van 2016 te bepleiten.

En toen meldden zich dit weekeinde Guus Hiddink en Johan Cruijff. In hun columns in De Telegraaf bepleiten zij de aanstelling van een minister van Sport. Waarom? Omdat sport sociaal-maatschappelijk steeds relevanter wordt en omdat Nederland grote ambities heeft. Beide oud-voetballers verbazen zich erover dat een land met de eerzucht zowel het WK voetbal als de Olympische Spelen binnen te halen sport zo weinig serieus neemt.

Sport doe er toe in de wereld, maar iets minder in Nederland. In politiek Den Haag is het een ondergeschoven kindje, waarvoor op de rijksbegroting 100 miljoen euro wordt vrijgemaakt. Weinig in vergelijking met andere sectoren. Maar wel het WK voetbal en de Olympische Spelen naar Nederland willen halen. Dat wringt.

En zo moeilijk is de inrichting van een ministerie van Sport niet. Gewoon alle aan sport gerelateerde zaken bij de diverse ministeries weghalen en in één portefeuille onderbrengen. Of eventueel samenvoegen met Jeugdzaken, zoals sportkoepel NOC*NSF bepleit.

Vervolgens is het alleen nog een kwestie van een minister benoemen. Ook dat is geen probleem: Guus Hiddink. Een grote naam in de wereld, een peoples manager, iemand voor wie deuren opengaan en... met verstand van sport.

Henk Stouwdam