Het zij-gevoel

Voor een goed deel van de wereld is de technologische revolutie een kwestie van ‘wij’ tegen ‘zij’. Waarbij ‘wij’ het goede deel van de wereld vertegenwoordigt en ‘zij’ het Westen. Zo sprak ik in Mongolië een pro-‘zij’-man die weinig begrip had voor het ‘wij’-beleven onder zijn landgenoten. Er bestaat daar, zoals in wel meer landen in ontwikkeling, grote ergernis over het feit dat ‘zij’ alle ontdekkingen doen en daardoor lijken te denken dat al het goede bij hun vandaan komt. „Maar dat is toch ook zo”, riep de Mongoolse pro-‘zij’-man verontwaardigd. „Wie heeft de elektriciteit uitgevonden, waar vloog het eerste vliegtuig, wie heeft de auto bedacht, waar komt de airconditioner vandaan?” Zijn vragen werden door vrijwel niemand in zijn omgeving gewaardeerd. Hem werd gevraagd of hij wel een echte Mongool was en er werd getwijfeld aan zijn loyaliteit.

In andere opkomende wereldeconomieën gebeurt hetzelfde. De nieuwe technologieën uit het Westen vinden er gretig aftrek, maar er bestaat ergernis over het feit dat ze daar vandaan komen, en daarmee een diepe wens om die achterstand zo snel mogelijk in te lopen. Precies om die reden hebben veel landen in Azië de ontwikkeling van technologie van eigen bodem tot speerpunt gemaakt. Omdat het goed is voor de nationale economie, maar vooral omdat de technologische voorsprong van het Westen zo snel mogelijk moet worden ingelopen. Zo leeft in China een broeierig verlangen een man (een Chinese man welteverstaan) naar de maan te sturen (in een rode raket). Dat zoiets veertig jaar gelden al is gepresteerd (door een blanke man met een witte raket) doet er niet aan af, want de schijn de eerste te zijn is goed genoeg.

Hetzelfde geldt voor web-adressen in niet-westers schrift. De invloed van dat nieuws is groot. In het opkomende deel van de wereld wordt die ontwikkeling gezien als een erkenning van de technologische belofte die niet-westers is. En dat is het ook. Ook al is het niet-westerse webadres alweer een westerse uitvinding.