Geen Joden bij Palestijns huiskamertheater

Al Quds Underground is een theaterproject in Palestijnse huiskamer te Jeruzalem. Israëliërs en Palestijnen samen, dat bleek onmogelijk, ontdekte de initiatiefnemer.

Het huis van imam Abdul Aziz Bukhari, in de Oude Stad van Jeruzalem, is vrijwel onvindbaar. Een stalen deur naast een winkeltje leidt naar een donker trappenhuis. Bovenin woont de imam met zijn familie, in een eeuwenoud familiehuis. „Wil je het familiegraf in de tuin zien?”, vraagt zijn vrouw monter.

De imam is niet thuis, hij heeft een vervanger gestuurd. Abed Al-Kareem Zurba, imam van de Rotskoepelmoskee, monstert zijn bezoek zwijgzaam vanaf de bank in de gastenkamer. Dan begint hij te zingen, opmerkelijk zuiver. Twee percussionisten begeleiden hem. „Bij de gratie van Allah”, zingt hij, „Allah is groot.”

In de islamitische wijk van de Oude Stad in Jeruzalem is het de laatste weken na zonsondergang meestal stil. Rellen rond de Tempelberg hebben het gebied grimmig gemaakt. Maar deze vrijdag- en zaterdagavond veranderde de wijk in een theaterwerkplaats. Achttien families stelden hun huizen open voor Al Quds Underground, een project van de Nederlandse componist Merlijn Twaalfhoven. Al Quds is de Arabische naam voor Jeruzalem. Groepjes bezoekers wandelen vrolijk kwebbelend van huis naar huis. Ze zien korte, intieme voorstellingen, meestal van Palestijnse artiesten.

Twaalfhoven (1976), een geëngageerd kunstenaar die vaak in het Midden-Oosten werkt, liep al lang met het idee rond een orkest te vormen waarin alle culturen van de Oude Stad vertegenwoordigd waren. „Dit kleine gebied is één grote smeltkroes van cultuur en religie”, zegt hij daags voor de voorstelling op een terras in de Oude Stad. „Dat is niet alleen hopeloos ingewikkeld, maar ook mateloos fascinerend.”

Het werd niets met het orkest. Joods-Israëliërs en Palestijnen ongecompliceerd samenbrengen is lastig, zo niet onmogelijk, ondervond hij. Twaalfhoven begon een „artistieke zoektocht” naar wat wel mogelijk was. Hij nam afscheid van het idee dat het een project van Joods-Israëliërs én Palestijnen werd. „De emoties zijn gewoon te groot. Ik hoorde de hele tijd: o, maar als die meedoet, dan doe ik niet mee. Het was een harde les. Ik leerde dat een buitenstaander niet even kan zeggen: kom op jongens, drink samen een kop thee en ga fijn muziek maken.”

Hij vroeg Palestijnse rappers, muzikanten, schrijvers en verhalenvertellers een kleine, persoonlijke voorstelling te maken. „Het moest geen groots opgezette kunst worden en al helemaal geen afstandelijke, politieke boodschap”, zegt Twaalfhoven. „Ik wilde artiesten en publiek samenbrengen in huiskamers, dat zijn plekken die altijd verborgen blijven. Ik heb de artiesten gevraagd naar de persoonlijke verhalen, dat is veel interessanter dan een voorgekauwde politieke boodschap.”

Maar politiek is nooit ver weg in Jeruzalem. Een kunstproject in uitgerekend de Oude Stad is vragen om gedonder. De afgelopen weken zijn de straten van de ommuurde Oude Stad in de eerste plaats het toneel van rellen tussen Palestijnen, de Israëlische politie en het leger. Palestijnse actievoerders zeggen dat Israël uit is op controle over de Tempelberg, de plaats waar de voor de moslims heilige Al Aqsa moskee staat.

Het leger is met groot machtsvertoon aanwezig in de Arabische wijk. Om het kunstproject niet te opvallend te laten verlopen, heeft de organisatie van Al Quds Underground het publiek via mond-tot-mondreclame bij elkaar gebracht. De meeste toeschouwers zijn dan ook buitenlanders die in Jeruzalem werken. Een minderheid is Palestijn, twee Israëliërs lopen mee.

De alledaagse grimmigheid van het leven in de Oude Stad is voelbaar in de minivoorstellingen van de artiesten. Het armzalig ogende huisje van verhalenverteller Ali Jiddah, een Palestijn wiens familie afkomstig is uit Tsjaad, ligt midden in het gebied waar nog elke dag rellen zijn. De Tempelberg staat bijna naast zijn huis. Jiddahs dochter loopt met haar arm in het gips, zij raakte in gevechten verzeild. Dichtbij is een paar dagen geleden brand gesticht. Jiddah, zittend op zijn bed, zegt dat hij het om hem heen mis ziet gaan. „Het wachten is op de derde intifada, en die zal in niets op de eerste twee lijken. Ik ben somber, maar het is zoals ik het voel.”

Een andere tegenslag voor Twaalfhoven was de implosie van het eerder dit jaar optimistisch begonnen project om Jeruzalem tot culturele hoofdstad van de Arabische wereld te maken. Ieder jaar wijst de Arabische Liga, gesteund door de UNESCO, zo’n stad aan: ditmaal beleed de Liga impliciet sympathie voor de Palestijnse claim op bezet Oost-Jeruzalem. Israël erkent die claim op het in 1967 bezette gebied niet en zegt dat de stad de ‘eeuwige en ondeelbare’ hoofdstad van Israël is.

Het project kwam sinds de start in maart niet van de grond. Israël verbood de meeste kunstprojecten en financiers haakten af. Twaalfhoven vond alternatieve financiering. „Het ging mij niet om wat er met Oost-Jeruzalem gebeurt. Het is ook een stad waar culturen ieder op eigen manier kunst maken.”