Forse kritiek op Wet jeugdzorg

De jeugdhulp moet drastisch veranderen. De financiering ervan moet op de schop, en ook de manier waarop hulpverleners de zorgbehoefte beoordelen vereist verbetering.

Die twee punten zijn nu de grootste belemmeringen om kinderen met ernstige problemen goede hulp te geven, blijkt uit de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg door een extern bureau. Minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) heeft die vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd.

De Wet op de jeugdzorg is vier jaar geleden juist vernieuwd om effectiever hulp te kunnen geven aan kinderen en gezinnen met opvoed- en opgroeiproblemen. Jeugdzorg werd ondergebracht bij de provincies. Ook werd in die wet het recht op jeugdzorg vastgelegd.

Maar dat recht bemoeilijkt goede en snelle hulp voor cliënten juist, luidt de conclusie. „De vraag is of het recht op jeugdzorg nog wel moet worden gehandhaafd.” Dat recht wordt „onvoldoende gerealiseerd” door wachtlijsten en langs elkaar heen werkende circuits.

Gedragsgestoorde, verwaarloosde en gehandicapte kinderen hebben vaak zorg uit verschillende sectoren nodig. De provincies voeren de jeugdzorg uit, maar de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte kinderen en kinderen met een psychiatrische of gedragsstoornis valt onder het AWBZ-stelsel of de zorgverzekeringswet (riaggs) – en die sectoren werken in de praktijk niet goed samen. Hun recht op zorg moet daardoor telkens opnieuw objectief worden beoordeeld. „De vraag is of deze momentopname wel het juiste middel is.” Beter zou het zijn het kind vaker te bekijken en oplossingen te zoeken thuis of in de buurt.

De evaluatie constateert ook dat van de meeste behandelmethodes, onbekend is of ze effectief zijn. Het kan wel tien jaar duren voordat dit op grond van onderzoek duidelijk wordt, zo blijkt. De relatie tussen kosten en resultaten is daardoor zoek.