De paradox van het Nederlands gedoogbeleid

Eigenaar Willemsen van coffeeshop Checkpoint staat morgen voor de rechter. Terneuzen gedoogde hem, justitie ziet hem als leider van een criminele organisatie.

Burgemeester Jan Lonink van Terneuzen was ontstemd toen hij hoorde dat justitie op 1 juni 2007 coffeeshop Checkpoint in zijn stad zou binnenvallen. Hij kreeg een telefoontje vlak voor de inval. Maar tijdens het reguliere overleg met het Openbaar Ministerie en de politie was er niets over gezegd.

Het leidde tot een pittig gesprek tussen de burgemeester en plaatsvervangend officier van justitie Jo Valente. Ze hebben er „woorden over gehad”, zo gaat het verhaal op het stadhuis in Terneuzen. Het incident laat zien hoe het zakelijk succes van de grootste coffeeshop van Nederland leidde tot spanningen in de lokale driehoek.

Morgen begint de rechtszaak tegen Checkpoint die in ieder geval zes dagen gaat duren. Eigenaar Meddy Willemsen van Checkpoint wordt verdacht van het leiden van een criminele inkooporganisatie van softdrugs. In Checkpoint kwamen bijna 3.000 klanten per dag. Door grote hoeveelheden softdrugs in te kopen, is de redenering van het Openbaar Ministerie, stuurde hij de markt aan.

Burgemeester Jan Lonink (PvdA) wilde niet dat Checkpoint zou worden gesloten. Het gemeentebestuur had in de jaren negentig gekozen voor twee gedoogde coffeeshops om een eind te maken aan de illegale drugshandel. Het bleek een goed besluit, de illegale handel en de daarmee gepaard gaande overlast verdwenen. Ook zouden bij een sluiting honderd banen op het spel staan. Checkpoint was een van de grootste werkgevers in Terneuzen.

Maar als de coffeeshop in 2005 van de gemeente een groter pand krijgt toegewezen en het aantal bezoekers daar uitdijt, ontstaat in de lokale driehoek spanning tussen handhaving van de openbare orde – en dus het laten voortbestaan van de coffeeshop – en handhaving van de rechtsorde. Het gemeentelijk beleid is er volgens bronnen een van „pappen en nathouden”.

Zo wist de gemeente dat veruit de meeste klanten uit België en Frankrijk kwamen, terwijl ze in de gedoogvergunning aan de coffeeshop de voorwaarde stelde dat Checkpoint geen softdrugs aan buitenlanders verkoopt. Die regel was voor de gemeente moeilijk te hanteren omdat juridisch geen onderscheid mag worden gemaakt tussen lokale en buitenlandse kopers – een uitvloeisel van Europese regelgeving, waar vooral coffeeshops in de grensregio’s tegenaan lopen.

Gemeenteambtenaren in Terneuzen maken bovendien duidelijk dat het bestuur nu eenmaal toeziet op de lokale markt. Dat de voornamelijk Franse en Belgische klanten drugs mee de grens over nemen, kunnen ze zich voorstellen. Ze merken dat ook bij controleacties. Maar politie en justitie dringen niet aan op handhaving. De politie grijpt niet in als Checkpoint wiet verkoopt aan buitenlandse klanten. Maar ze plukt de klanten wel van de weg tijdens grootschalige internationale grenscontroles.

De gemeente realiseerde zich ook dat een zo groot aantal bezoekers betekende dat er enorme hoeveelheden softdrugs moesten worden ingekocht en dit ‘aan de achterdeur’ problemen opleverde. Het ging om hoeveelheden die niet konden worden aangeleverd door idealistische thuistelers, zoals Meddy Willemsen de gemeente altijd voorhield. Toch trad de gemeente niet op. Het zorgde voor spanning tussen het gemeentebestuur dat de openbare orde moet handhaven en het Openbaar Ministerie dat de strafrechtelijke orde moet handhaven.

Het is de paradox van het Nederlandse gedoogbeleid. De openbare orde is gediend met coffeeshops. Maar het succes van dat gedoogbeleid heeft ook geleid tot groeperingen die zich richten op de verboden kweek van wiet. In eerste instantie voor Nederlands gebruik. Maar de wiethandel is zo lucratief dat de georganiseerde misdaad zich erop heeft gestort. Er worden honderden miljoenen euro’s mee verdiend.

Net als de meeste grensgemeenten richtte het gemeentebestuur in Terneuzen zich vooral op tegengaan van de parkeer- en geluidsoverlast bij Checkpoint, van wildplassen en verkeersovertredingen. Zo vroeg de gemeente de twee coffeeshops in de stad mee te helpen de overlast te bestrijden door duizend euro per maand aan de gemeente over te maken voor een preventieprogramma. Ook het financieren van stewards op de parkeerplaats van Checkpoint is ter sprake gekomen. Volgens sommigen kwam dit de integriteit van de gemeente niet ten goede.

Om de overlast in te perken, wilde de gemeente Terneuzen de coffeeshop verplaatsen naar buiten de stad, bij de grens met België. Het Openbaar Ministerie was tegen dit plan. Het zou de export van de softdrugs alleen maar bevorderen. In plaats daarvan begon justitie eind 2006 een strafrechtelijk onderzoek naar Checkpoint.

De coffeeshop hoeft niet meer te worden verplaatst. Na een tweede inval, in 2008, is Checkpoint gesloten. Inmiddels wordt vanuit twintig panden in Terneuzen gedeald.

Achtergronden op nrc.nl/drugsbeleid